Staatssteun, regels en feiten

Volgens de rechtbank in Den Haag is een 'bestemmingsheffing' van een product- of bedrijfsschap 'staatssteun' die pas ingevoerd kan worden als deze 'is aangemeld' bij de Europese Commissie in Brussel. Wat betekent dit?

Staatssteun is niet verboden - in Europa noch in Nederland. Het is echter een omstreden instrument omdat het concurrentievervalsing in de hand kan werken. Daarom stelt het Europees Verdrag dat staatssteun pas is toegestaan als ieder bedrijf er gelijkelijk van kan profiteren.

Om dat te kunnen toetsen, is er een aanmeldingsplicht in Brussel: zodra bij een nationale regering enige twijfel bestaat of een regeling onder de Europese definitie van staatssteun valt, moet de maatregel aan de Europese Commisie worden aangemeld voordat invoering gelegitimeerd is. Deze aanmeldingsplicht reikt ver. Als achteraf blijkt dat een staatssteunregeling ten onrechte niet aan de Commissie is voorgelegd, is de regeling nietig en moet ten onrechte genoten voordeel worden terugbetaald.

De Europese definitie van staatssteun is ruim. De EU-lidstaten zijn in de loop der jaren steeds inventiever geworden bij het verlenen van staatssteun. Ging het vroeger veelal om overheidsleningen of -giften aan bedrijven, bij het strengere optreden van de Europese Commissie tegen dergelijke arrangementen werd staatssteun vaak in een gemaskeerde vorm verstrekt. Populair is hulp via de fiscus. Ook de sociale zekerheid (lagere premies) wordt gehanteerd. Ter voorkoming van zulke achterommetjes is daarom in de verdragstekst de passage 'in welke vorm ook' toegevoegd. Op die manier valt, met andere woorden, elke soort staatssteun onder de voorwaarden die het Verdrag stelt: volgens de Haagse rechtbank ook een heffing die bedrijven aan product- en bedrijfschappen moeten betalen om collectieve activiteiten (reclame, scholing) te financieren.

Dit zijn echter Europese regels, en 'Europa' is een bureaucratie als alle andere, dus er zijn uitzonderingen. Een daarvan kan de schappen in hun strijd met Pearle c.s. zeer van pas komen. Dat is de zogeheten de minimis-regeling.

Die regeling (uit 1992) stelt dat de Europese Commissie pas tegen staatssteun optreedt als de steun hoger is dan 100.000 ecu in drie jaar.

Ook deze regel heeft een praktische achtergrond: op het bureau 'staatssteun' van de Europese Commissie werken zo'n dertig ambtenaren. Zij hebben de handen vol aan mega-zaken (Crédit Lyonnais, Air France, Philips) en de Commissie wil dat ze hun tijd niet verliezen aan kleine zaakjes. Vandaar de minimis-grens.

Logisch, meent de rechtbank in Den Haag, maar daarmee is de de minimis-regel nog niet gelegitimeerd. Een van de zogenoemde 'prejudiciële vragen' die de Haagse rechter aan het Europees Hof van Justitie heeft gesteld is of de Commissie wel de bevoegdheid had deze regel in 1992 af te kondigen. Daarbij komt dat de de minimis-regeling sinds 1992 van kracht is, terwijl de gelaakte heffing van het schap sedert 1988 geldt. Mag de de minimis-regeling worden geacht met terugwerkende kracht vanaf 1988 te gelden, vraagt de Haagse rechter het Europese Hof.

De Haagse rechter heeft ook een andere vraag voor het Hof. De Europese staatssteunregels schrijven voor dat verboden staatssteun terugbetaald moet worden - maar hoe kan men dat in deze concrete zaak afdwingen? Met de bestreden heffing is reclame gefinancierd. Deze laat zich niet meer redresseren: hoe dan toch terugbetaling van de ten onrechte genoten staatssteun af te dwingen? Pas als deze vragen door het Hof zijn beantwoord, velt de Haagse rechtbank een definitief vonnis.