Rechten en plichten

“DE RECHTEN VAN de mens zijn niet van waarde omdat ze Amerikaans of Europees zijn, of van de geïndustrialiseerde wereld, maar omdat zij van de mensheid zijn”, zo hield president Clinton tijdens zijn bezoek aan China zijn gehoor op de universiteit van Peking voor. Dat zei hij niet voor niets. Met name in Azië zijn er bedenkingen geuit tegen het 'Westerse' - te individualistische - karakter van de rechten van de mens. Volgens de critici zouden de (Westerse) voorvechters van voornoemde rechten onvoldoende rekening houden met traditionele waarden die de nadruk leggen op de plichten van het individu tegenover de gemeenschap.

Het weerwoord op deze kritiek is weer dat het beroep op gemeenschapsplicht maar al te vaak slechts een middel is voor heersende elites om zichzelf tot iedere prijs in het zadel te houden.

Hoewel alle partijen ontkennen dat er sprake is van een breuk, dreigt deze controverse toch een schaduw te werpen over de komende herdenking van vijftig jaar Universele verklaring van de rechten van de mens. Deze belichaamt juist de algemene en onverkorte geldigheid van de fundamentele rechten en vrijheden in de hele wereld.

Zorg voor een clash between civilisations was een belangrijke drijfveer voor een raad van voormalige regeringsleiders en staatshoofden om vorig jaar het voorstel te lanceren van een “Universele verklaring van plichten van de mens”. Daartoe behoort onder meer dat ieder mens een verantwoordelijkheid heeft zich “integer, eerlijk en fair te gedragen”. Voorts dient eenieder hulp te bieden aan behoeftigen, achtergestelden, gehandicapten alsmede slachtoffers van discriminatie. Niemand, hoe hoog en machtig ook, behoort leugens te verkondigen.

WAT IS ER TEGEN ethische beginselen in het openbare leven? De Britse premier Tony Blair verkondigt al geruime tijd dat “een fatsoenlijke samenleving niet gebaseerd is op rechten maar op plicht”. “Plicht tegenover elkaar.” Het gebrek aan gemeenschapszin is ongetwijfeld een bron van zorg in de moderne (Westerse) samenlevingen. Het is geen overbodige luxe individuen aan te spreken op hun persoonlijke medeverantwoordelijkheid voor the common good.

De vraag is alleen of men dat moet doen met het gebod in de hand. Geboden vragen om handhaving. Voor men het weet loopt een appèl aan burgerzin uit op een controleur in elk woonblok. Het kost bijvoorbeeld weinig moeite zich voor te stellen wat sommige regimes kunnen uithalen met de voorgestelde universele plicht van de media hun werk “met verantwoordelijkheid en discretie” te doen. De harde waarheid van de één is de onverantwoordelijke indiscretie van de ander. Met een mediabreidel bij de hand ziet het gebod dat niemand, hoe hoog of machtig ook, leugens mag spreken er opeens ook heel anders uit.

Wat is er eigenlijk mis met de vrijheid van informatie zoals die in het voetspoor van de Universele verklaring is uitgewerkt in tal van documenten en verdragen? Alle stellen zij de vrijheid voorop, maar erkennen tegelijk dat deze niet bestaat zonder verantwoordelijkheid. De informatievrijheid is dan ook niet absoluut, maar kan worden beperkt in zorgvuldig omschreven gevallen. En nooit meer dan strikt noodzakelijk en met een beroep op een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Dat is beter dan een oeverloze plicht waarvan men maar moet afwachten in wiens handen hij valt.

RECHTSTHEORETISCH is het trouwens dubieus om gemeenschapsplichten te kwalificeren als juridisch afdwingbare verplichtingen, zo betoogden twee experts inzake de rechten van de mens in het Juristenblad van 13 februari. Op zichzelf vinden ook zij dat in het debat over deze rechten “de plichtenkant sterk onderbelicht is gebleven”. Maar de oplossing is niet om burgerplicht gelijk te schakelen met een gemeenschapsplicht, laat staan een staatsplicht, maar om eigen vormen te ontwikkelen voor het appèl op de gemeenschapszin van individuen.

De universele verklaring kiest voor de mens en niet voor de staat. Deze opgave is al groot genoeg en verdient het niet te worden verwaterd.