Pluriformiteit publieke omroep is in gevaar

Nu de nieuwe regering is gevormd en de inhoud van het regeerakkoord langzamerhand duidelijk wordt, doemen enkele problemen weer op die onder Paars I zijn blijven hangen.

Eén van die problemen is de inrichting van het nieuwe publieke omroepbestel. Er zijn al heel wat woorden aan gewijd, en ook zijn er beslissingen genomen die ertoe hebben geleid dat de bestaande publieke omroepen tot nauwe samenwerking zijn gedwongen en dat duchtig is bezuinigd. Een speciale commissie, de Commissie-Ververs, heeft aanbevelingen gedaan over de wenselijkheid van een nieuwe structuur en die aanbevelingen zijn in het parlement met instemming begroet. Het uitgangspunt spreekt aan: een publieke omroep is van groot belang voor de bevordering van een democratisch en pluriform opererende samenleving.

Duidelijk is dat de pluriformiteit in de programma's tot uiting moet komen en dat men een redelijk groot publiek bereikt. Er is gekozen voor een structuur waarbij de bestaande pluriforme zendgemachtigden hun uitzendrecht verliezen. De concessiehouder is de NOS, wier bestuur door de overheid wordt benoemd. Omroepen mogen blijven bestaan, maar moeten hun programma's inleveren bij de NOS, die het gebodene vervolgens selecteert en over de zenders verdeelt.

Het moge duidelijk zijn dat deze constructie vragen oproept. Hoe kun je een gedachte of stroming goed weerspiegelen als je zelf niet mag beslissen over al dan niet uitzenden? En wat voor waarde heeft een programma nog als je weet dat de beslissers door de overheid zijn benoemd?

Moet eigenlijk niet worden vastgesteld dat in de nieuwe constructie de pluriformiteit in het geheel niet is gewaarborgd, en dat het van de overheid afhangt of de publieke omroep wel zal functioneren, zoals is bedoeld. Op dat punt kent de geschiedenis van onze eeuw de meest gruwelijke ontsporingen, ook al denk je niet meteen aan de nazi-tijd.

Geert Dales schreef op 6 augustus in deze krant dat het regeerakkoord zich niet uitspreekt over de taakafbakening van de publieke omroep en ook geen nieuws meldt over de financieringsstructuur ervan. Evenmin spreekt het over het aantal televisiezenders. Dales acht de discussie over de mediapolitiek nog geheel open. Hij zegt te hopen dat het kabinet en de Tweede Kamer zich hierbij voortaan laten leiden door het principe dat inhoud gaat voor vorm. Na alle gedoe over financiën en organisatiestructuur moet nu maar eens de taakstelling aan de orde komen. Eenvoudig gezegd: wat verwacht men van de omroep en hoe kan dat worden bereikt?

Dales is niet de eerste die dit soort vragen opwerpt. Maar het merkwaardige is dat de concessiekwestie niet wordt gesteld. In de ontworpen bestuursstructuur is de pluriformiteit in het geheel niet gewaarborgd. Hoe kan men zoiets toch ontwerpen? Hebben de wetgevers zich misschien laten leiden door het verlangen om de huidige zendgemachtigden op te ruimen? Of, zoals NRC Handelsblad op 27 juni 1996 schreef: “Hoe komt de Nederlandse omroep met goed fatsoen af van de overleefde, verzuilde, maar duchtig ingegraven zendgemachtigden zonder de kostbare traditie van pluriformiteit te laten verslonzen tot een van staatswege in stand gehouden eenheidsworst?” Duidelijk is dat die eenheidsworst werkelijkheid wordt als we geen beter alternatief weten te verzinnen voor het huidige bestel.

Moeten we ons niet afvragen of we nu echt onze eigen pluriformiteit wensen te behouden of dat we een eenheidsomroep nastreven, zoals bijvoorbeeld de BBC? Die is ook pluriform, maar dan anders dan bij ons. De BBC levert voortdurend slag zowel met instanties en stromingen die zich niet of verkeerd begrepen voelen als met een overheid die zich misdeeld acht.

Overigens: wie zo graag het BBC-model wil, moet er wel even de rekening bijleggen, en die is aanzienlijk hoger dan de zuinige Nederlanders voor hun omroep willen betalen.

Willen we echt onze pluriformiteit handhaven, dan zullen we niet ontkomen aan het toebedelen van uitzendverantwoordelijkheid aan wie er gestalte aan geven. Toch blijft de vraag bestaan of de huidige omroepen de werkelijke vertolkers zijn van de verscheidenheid. Daarbij kunnen vraagtekens worden gezet. Wil men dit oplossen dan zullen de toelatingseisen verscherpt moeten worden en zal het toezicht na toelating effectief moeten zijn. Dat vereist opnieuw studie en vermoedelijk veel tijd.

Nu economische en financiële waarden heel belangrijk zijn, zou dat wel eens moeilijk kunnen worden. En helemaal nu men een gerenommeerd econoom staatssecretaris heeft gemaakt voor de Cultuur. En daar valt de omroep ook onder.

    • B.M. Brans