Kroniek van het totale begeren

Als Johan Cruyff de uitdrukking niet zelf heeft verzonnen, heeft hij dit zinnetje in ieder geval tot nationale spreuk bevorderd. Ik ben geen dief van mijn eigen portemonnee. Wanneer heeft hij deze gouden woorden voor het eerst gesproken? Misschien toen hij reclame ging maken voor Adidas en een verslaggever hem vroeg of hij nog niet genoeg geld verdiende. Impertinente vraag. Maar de voetbalmeester vertrok geen spier. Hij zei rustig: “Ik ben geen dief van mijn eigen portemonnee.”

Natuurlijk niet. Als Richard Krajicek reclame gaat maken voor een tennisracket is dat, binnen het kader van de afkeer van zelfbesteling, volkomen begrijpelijk. Anton Geesink die het drinken van melk bevordert? Je kijkt er niet van op, je juicht het toe. De hele volksgezondheid is ermee gediend. Van beroemdheden die een product aanbevelen dat tot hun branche hoort, kun je zeggen dat ze terecht wat extra profijt van hun prestaties mogen hebben. Voor een goed product geldt hetzelfde: er is niets op tegen dat de verkoop door een beroemdheid wordt gestimuleerd. Soms gaat het zelfs per ongeluk. Toen hij door de politie werd achtervolgd - de lange, langzame achtervolging waar maar geen einde aan leek te komen - reed O.J. Simpson in een Ford Bronco. De week daarop waren de Bronco's uitverkocht.

Nu een denkbeeldig grensgeval. Een schrijver die beroemder is door de hoeveelheid bier die hij drinkt dan door zijn boeken, wordt door Grolsch of Heineken gevraagd. Als ik de brouwer was zou ik het niet doen, maar verbindingen tussen bekendheid en commercieel resultaat zijn ondoorgrondelijk. De schrijver wordt vorstelijk beloond. Maar valt het in overeenstemming met zijn onafhankelijke schrijversgeweten te brengen dat hij zijn naam aan een biermerk verkoopt, aan de aandeelhouders, aan al diegenen die geen dief zijn van hun eigen portemonnee en die hij daarom in zijn boeken onvriendelijk bejegent? Ieder antwoord op deze vraag is strikt persoonlijk. Onafhankelijk is deze reclamemaker niet meer.

Een onvergankelijke bestseller in Nederland is de Wehkamp Catalogus, van het bekende postorderbedrijf. Je kunt dit dikke boek beschouwen als de bijbel van het totale begeren. Arme gezinnen gaan om de tafel zitten, lezen elkaar voor uit de Wehkamp, wijzen elkaar de plaatjes aan. Ze gebruiken de Wehkamp als een kookboek in de Hongerwinter. Wehkamp heeft een commercial op de televisie. De held daarin is Gertjan Dröge, die zich door het filmpje beweegt zoals hij dat doet door zijn programma Glamourland. De figuranten die hem omringen lijken uit Glamourland te zijn weggelopen: dezelfde opgepoetstheid, hetzelfde gekakel. De rol van Jan des Bouvrie wordt gespeeld door de catalogus zelf. Gertjan zegt: 'Dáár is-ie weeeer.' Typecasting, tekst in context, allemaal knap gedaan. Wat zou je erop tegen kunnen hebben.

Ik bewonder Gertjan Dröge. Glamourland hoort tot de weinige programma's waarvan ik een liefhebber ben. Nog nooit heeft het me teleurgesteld. Hij brengt een deel van het Nederlandse volk in beeld, het ingecrèmede, gefacelifte, overdadige, naar altijd meer en nog meer dringende publiek. Je kijkt ernaar zoals je je in Artis op het reptielenhuis trakteert. Het is altijd weer erger dan je denkt. Allemaal mensen die nooit dief van hun eigen portemonnee zullen worden.

Gertjan laat er niets van merken. Minzaam blijft hij zich op en door de party's bewegen. Over een eeuw zullen de geschiedschrijvers Glamourland en Gertjan Dröge, de onaantastbare chroniqueur van dit altijd-meer-willen-hebben dankbaar zijn. Ik weet niet hoe ze het Wehkamp-spotje met de rest van zijn oeuvre in overeenstemming zullen brengen.

    • Willem Laarmans