De Ekuele maakt geen fout

Op zijn kaartje staat dat hij chirurg is. Aan de buitenkant van zijn huis in de luxewijk Vedado is niets te zien. Er hangt zelfs een poster van de paus buiten, maar dat kan ironie zijn. Ik leerde Aberasturis een half jaar geleden kennen toen ik op bezoek was bij zijn buurmeisje Holiday.

We zaten op de patio een of ander bocht te drinken dat haar moeder had gebrouwen en een week voor mij had bewaard, toen er op de deur werd geklopt. Holiday stond op om de deur open te doen. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om de inhoud van mijn glas cadeau te doen aan een plant. Holiday kwam terug met een serieus ogende man met een guayabera-hemd aan. Ze stelde hem aan me voor. “Ivo, dit is Aberasturis, mijn buurman. Hij is babalawo.”

Ik had geen idee wat dat was, dus ik knikte maar en gaf hem een hand, in de veronderstelling dat deze buurman een instrument kon bespelen dat de babala heette of zoiets. Aberasturis sloeg beleefd een glas af, en vertrok weer. Hij gaf me opnieuw een hand en zei: “Je moet eens langskomen voor een consult.”

Toen hij weg was begon Holiday geestdriftig over de patio te dansen. “Hij heeft je uitgenodigd voor een consult, dat doet hij nooit meer, dat betekent dat hij iets in je ziet!”

Ik zei dat ik er geen zak van begreep. Ze keek me vermanend aan. “Je mag dan denken dat je Cuba kent, maar als je niet eens weet wat een babalawo is...” Ze keek naar me alsof ik mijn eigen debiele broertje was. “Een babalawo is een hogepriester van de Yoruba.”

Daar had ik wel eens van gehoord. Met de aankomst van de eerste slaven op Cuba, voornamelijk uit het Yoruba-gebied (Nigeria), werd ook hun godsdienst geïmporteerd. Om geen al te gemakkelijke prooi te worden voor de inquisitie ontstond de sincretización, waarbij de Yoruba-goden de naam kregen van katholieke heiligen. Zo ontstond de santeria, die tegenwoordig de grootste godsdienst op Cuba is. Cuba's beschermheilige la Virgen de la Caridad, die onlangs nog door de paus werd gezegend, is voor de Cubanen gewoon de Yoruba-god Ochún.

In besloten kring werden de authentieke Yoruba-rituelen uitgevoerd door de babalawos. Aberasturis besloot na een succesvolle carrière als chirurg om zich volledig te wijden aan Yoruba. Nu is hij een van de belangrijkste babalawos en secretaris van de Asociación Yoruba Cuba.

Mijn eerste consult vond de volgende dag plaats. In zijn enorme huis hield hij kantoor in een klein rommelig kamertje dat vol stond met aardewerken potten, Afrikaanse beelden en onderdelen van dode beesten. En geesten, veel geesten. Dat moest wel, want op het moment dat ik het kantoor betrad leek mijn ziel open te gaan.

Aberasturis sprak in het Yoruba met Orula, terwijl hij mijn ziel las in de Ekuele, een heilige kralenketting. In krap een kwartier tijd vertelde hij mijn levensgeschiedenis, vanaf mijn geboorte tot die middag van het consult, en gaf mij advies over de stappen die ik in zijn ogen moest nemen. Zonder horoscopische dubbelzinnigheden, zonder poespas. Een psychoanalyticus heeft daar jaren voor nodig.

Hij vond het niet zo erg dat ik mij niet wilde bekeren. Aan ledenwerving deed hij niet, daar voelde hij zich ver boven staan. Evangelisten zijn zo hysterisch omdat ze het zelf ook niet zo zeker weten. Aberasturis was zeker van zijn zaak. “Het staat vast dat de Ekuele nog nooit een fout heeft gemaakt.”

Hij stond mij toe om ongelovig te zijn, maar de ondoorgrondelijke wijsheid van de Ekuele mocht ik niet betwijfelen.

Ik ging zo nu en dan bij hem langs, als ik in de buurt was, als een liefde mij weer eens bedrogen had of als ik wroeging had over een liefde die ik had bedrogen. We ontwikkelden een bijzondere vriendschap, en Aberasturis voelde zich zeer verantwoordelijk voor mijn zielenheil. “Luister”, zei hij herhaaldelijk. “In jouw land heb jij jouw eigen vader. Hier in Cuba ben ik jouw Padrino, jouw peetvader.” Hij nam dat zeer serieus. Zo nu en dan belde hij me op. “Je moet onmiddellijk hier naartoe komen. Haal op je weg hier naartoe even een duif bij de markt. En een fles aguardiente, kaarsen en kokos. Wacht eens even, kaarsen en kokos heb ik nog. Kom snel.”

En hij noemde de naam van een god die het offer vroeg. Er was niets dat mij weerhield om op zijn verzoeken in te gaan. Dat wat hij voor mij in petto had prikkelde mijn nieuwsgierigheid.

Tijdens een van onze laatste ontmoetingen, nadat hij voor mij een offer had gebracht waarvan ik hoop dat de Wereldvereniging van Duivenmelkers er geen lucht van krijgt, vroeg ik hem waarom hij een poster van de paus op de deur had geplakt. Een jongensachtige glinstering verscheen in zijn oude tovenaarsogen. “Weet je, ook een oude babalawo maakt zo nu en dan een geintje.”