Voorhoeve: 'Beschuldigingen onheus'

Hebben Dutchbatters zich in Srebrenica misdragen? En is dat eventuele wangedrag door Defensie in de doofpot gestopt? Ex-minister J. Voorhoeve (Defensie) zegt van niet.

DEN HAAG, 12 AUG. Is het een snelle en geniale vondst van minister De Grave (Defensie) om de behandeling die Defensie sinds de zomer van 1995 aan de val van Srebrenica heeft gegeven, nader te onderzoeken? En voor dat onderzoek dan J. de Ruiter (CDA) te vragen, oud-minister van Justitie en van Defensie, die ook volgens De Grave “een buitengemeen integere jurist” is? Zeker lijkt de persoon van De Ruiter het CDA, dat als oppositiepartij steeds kritisch is geweest over het optreden van De Grave's voorganger en liberale partijgenoot Voorhoeve in het dossier-Srebrenica, tot enige behoedzaamheid te dwingen. Bijvoorbeeld inzake de eis van een spoedig parlementair onderzoek, waarop vooral het CDA aandringt.

Maar daartegenover staat dat dezelfde De Ruiter door zijn rol bij het eind november 1995 afgeronde Debriefingrapport-Srebrenica logisch gesproken toch niet de aangewezen man lijkt om aangaande de waarheidsvinding van toen en nu een nader onderzoek te leiden. Integendeel, het is zelfs de vraag of critici die Defensie verwijten soms de doofpot te hebben gebruikt zich door hem zullen laten overtuigen. Waarmee De Grave dan toch niet zou bereiken wat hij wil. Namelijk: herstel van vertrouwen in de integriteit van Defensie en een einde aan een eindeloze reeks almaar opduikende berichten over incidenten, foutjes, misverstanden enz. sinds de zomer van 1995.

Er is nog een derde mogelijkheid, namelijk dat De Ruiter, gehoord de kritiek op de keuze van De Grave, voor de eer bedankt. In dat geval zou de nieuwe minister van defensie zijn eerste grote fout ruim een week na zijn beëdiging hebben gemaakt door hardop de naam van De Ruiter te noemen en zijn kwaliteit voor “juist dit onderzoek” aan te prijzen.

Aan onderzoeken trouwens geen gebrek, het lijkt bijna een wedstrijd. Op voorstel van Voorhoeve heeft de Tweede Kamer twee jaar geleden ingestemd met een breed en langdurig onderzoek van het RIOD, dat door ongeduldige kritici al bij voorbaat werd gezien als een poging de kwestie voorlopig in de ijskast te krijgen. Dan waren er sinds zomer '95 het onderzoek van de marechaussee, het Debriefingrapport, de verslaglegging naar het OM in Arnhem en het Joegoslavië Tribunaal, dat het elders op deze pagina afgedrukte managementrapport van de marechaussee kennelijk wel had ontvangen en er geen aanwijzingen in vond voor het deelnemen van Nederlandse militairen aan oorlogsmisdaden. Daarenboven wil de Kamer nu een parlementair onderzoek en De Grave nog eens een eigen onderzoek.

Kern van al die onderzoeken vooral: wat is er 26 juli 1995 gebeurd in een marinelaboratorium met “de filmrolletjes” en wat hebben Voorhoeve en zijn ministerie wel of niet gedaan met het gisteravond in Nova gepresenteerde managementrapport van de marechaussee.

Voorhoeve zegt daarover desgevraagd “diep bedroefd” te zijn over de opmerkingen die kapitein P.H. Rutten, commandant van de marechaussee, gisteravond in Nova maakte. Rutten vertelde dat Voorhoeve “niets” heeft gedaan met de informatie die de leiding van de marechaussee hem in 1995 gaf over de hulp die Dutchbat-militairen boden bij het selecteren van moslim-gevangenen door de Serviërs.

Hoe is het dan gegaan?

Voorhoeve: “De beschuldigingen van Rutten zijn onheus. Bij het onderzoek naar het verkeerd ontwikkelen van de fotorolletjes, op mijn verzoek in 1995, bleek de recherche dat er bij vijf ex-Dutchbatters veel ongenoegen bestond over het functioneren van de bataljonleiding in Srebrenica. Generaal Fabius, marechausseecommandant, heeft mij daarover op 4 augustus 1995 telefonisch ingelicht. Fabius zei me dat 'een nader onderzoek' nodig was. Ik heb hem gemeld dat me een breed en uitvoerig onderzoek onder alle Dutchbatters gewenst leek. In augustus en september 1995 is dat ook verricht. De suggestie van Rutten bij Nova dat ik niets met de aanbeveling heb gedaan, is dus geheel onjuist.”

Wat hoorde u van Fabius?

“Fabius vertelde me onder meer te hebben gehoord dat een Nederlands pantservoertuig over lijken had gereden. En dat de bataljonsleiding niet goed functioneerde. Gisteravond belde Fabius me weer en hij herhaalde dat hij een uur nadat in 1995 met me belde, hij de directie juridische zaken van Defensie van de zaak op de hoogte heeft gesteld. Dat wist Rutten niet, hij weet niet wat er met zijn rapportage is gedaan.”

Pas begin 1997 is het rapport van de marechausse u onder ogen gekomen. Waarom zo laat?

“De leiding van de marechaussee is daarop aangesproken. Waarom zo laat, ja? De reactie van Fabius was: 'Ik heb u gebeld en u gaf me een goede reactie. U was geïnformeerd'. Hij vond het geen reden me het stuk meteen - in 1995 - ter beschikking te stellen. Hij zei me later dat het stuk niet meer van enorm belang was, ik was immers op de hoogte.”

Zijn alle incidenten over eventuele betrokkenheid van Nederlandse militairen bij oorlogsmisdaden aan het openbaar ministerie meegedeeld?

“Inderdaad. Dat is gebeurd in 1995 en enkele zaken in 1996. De Arnhemse oud-officier van justitie belast met militaire zaken, J. Bezier, kan dat beamen. Er zijn over de oorlogsmisdaden 460 gesprekken gevoerd, waarvan het resultaat integraal is gestuurd naar het oorlogsmisdadentribunaal in Den Haag.”

Voorhoeve leest een deel van de brief voor die aanklager R. Goldstone van het oorlogstribunaal hem op 16 oktober 1995 schreef. “Ik kan u bevestigen dat mijn onderzoekers die belast zijn met het onderzoek naar deze tragische gebeurtenissen, mij het volgende hebben meegedeeld. De documenten die mijn bureau heeft onvangen, inclusief de samenvattingen van verklaringen gedaan door gedebrieft militair personeel, en de antwoorden op de vragenlijsten betreffende oorlogsmisdaden begaan in het voormalig Joegoslavië, wijzen niet op enige betrokkenheid van enig lid van het Nederlandse leger in het plegen van oorlogsmisdaden.”

Hoe kijkt u terug op Srebrenica?

“Er zijn afgrijselijke dingen gebeurd, die nare gevoelens bij individuele militairen hebben nagelaten. Helaas blijven Srebrenica en de rol van Dutchbat nazieken. Het is ook een afgrijselijk verhaal. Ik denk dat we het nooit echt zullen verwerken.”