Spitten voor de Duitsers

Het is oktober '44. We bivakkeren in het kleine dijkhuis van de opzichter van de steenfabriek in Hurwenen. Vader, ongerust geworden, is op de fiets uit Den Haag gekomen om te kijken hoe het met zijn uit Zaltbommel geëvacueerde gezin gesteld is. Het heeft hem moeite gekost om de rivieren over te steken. De Engelse piloten schieten op alles wat vaart en de veerman bij Haaften durfde de oversteek eerst niet aan. Met een grote bocht moest hij om Zaltbommel, inmiddels Sperrgebiet, heenrijden. Uiteindelijk heeft hij toch net vóór acht uur, als iedereen binnen moet zijn, Hurwenen kunnen bereiken.

Na een paar dagen van niet-lekker en erg moe zijn is hij nu ineens ziek geworden. Op een morgen komt een grimmig kijkende Duitse soldaat met een machinepistool in zijn hand de keuken binnenstappen, waar mijn zus en ik bezig zijn groente schoon te maken.

“Es gibt hier ein Herr Van Lookeren der nicht arbeitet. Ich soll ihn sehen!” roept hij dreigend. Mama komt er ook bij en neemt de man mee naar boven. Daar ligt vader, heel wit, op een speciaal voor hem door het Groene Kruis gebracht bed.

De soldaat kijkt om zich heen en richt het pistool op papa's buik. “Aber ist der Mensch wirklich krank? Wo sind die Medizinen?”

“Mijn man heeft geen medicijnen! Hij mag alleen maar melk drinken.”

“Ach was...”

“U zíet toch dat hij ziek is!” roept mama kwaad.

Nu geeft de man het op. “Na, wenn er wieder erholt ist, soll er arbeiten”, zegt hij nors en stommelt, een lijst met namen in zijn hand, de trap weer af.

Sinds de Slag om Arnhem door de Engelsen is verloren, is de jacht op mannen die voor de Duitsers aan de verdediging kunnen werken in volle kracht losgebarsten. Huis aan huis worden er invallen gedaan. En niet één keer, soms verschillende malen. De jongste broer van mijn vader wordt achternagezeten door twee Duitsers met pistolen in hun hand. Hij gooit ten slotte zijn fiets als een soort prooi voor de voeten van die kerels neer en stormt zijn eigen huis in om daar achter een luik in de vloer te verdwijnen. De Duitsers doorzoeken het hele huis tot op de zolder toe. In het dagboekje dat ik in die tijd bijhield, lees ik dat Jaantje, het dienstmeisje van mijn grootouders, samen met een andere vrouw daar doodgemoedereerd bezig is linnengoed te mangelen. En dat terwijl bijna iedereen voor de veiligheid 's nachts op strozakken in de ovens van de steenfabriek gaat slapen! De Duitsers vinden mijn oom niet, maar laten het bericht achter dat deze de volgende morgen daar en daar wordt verwacht, anders zal hij de kogel krijgen.

De fiets laten ze liggen, wel gaat er even een op de schommel die in de tuin hangt zitten schommelen...

De volgende dag staat mijn oom in de klei en spit loopgraven. Ook aan de inmiddels door de Engelsen vernielde verkeersbrug bij Zaltbommel moet gewerkt worden, opdat deze weer enigszins te gebruiken is. In de steenfabriek zijn talloze schuilplaatsen voor onderduikers gemaakt. Als we eten brengen, gooien we eerst een paar stenen tegen de muur om te laten weten dat er 'goed volk' is. Op een dag horen we dat er een vele meters lang en heel diep gat ontstaan is in de Oenselsedijk, de kant van Zaltbommel op. Dat geeft grote ongerustheid. Het is nog geen hoog water maar dit kan elk moment veranderen.

Mijn zus en ik gaan op de fiets kijken, want het gat in de Oenselsedijk is een bezienswaardigheid geworden. Het bevindt zich niet ver van de afslag waar zich onderaan de dijk het café 'Het bruine paardje' - in het dorp zegt men 'Het bruun peerdje' - bevindt. Dit is een ouderwetse taveerne, die er niet uitziet of er ooit veel klanten komen. Tijdens fietstochtjes in vroegere zomervakanties dronken we er wel eens een glas limonade. Ik herinner me dat een oude baas er bediende terwijl twee kleine jongens ons, stadse kinderen, nieuwsgierig aanstaarden.

Een van vaders broers gaat naar de Ortskommandant en legt hem omstandig de gevaren van zo'n groot gat in de dijk uit. De Duitser luistert beleefd maar zegt niets. Iedereen denkt dan nog dat het gat is gemaakt om eventuele geallieerde troepen die zich over de dijk verplaatsen tegen te houden. Maar de Duitsers weten best waar ze mee bezig zijn, het is juist hun bedoeling de boel onder water te zetten, zoals ze dat ook met grote stukken van de Betuwe hebben gedaan. Er sijpelt slechts mondjesmaat nieuws over de oorlogsvoering tot ons door!

Een feit is wel dat de verwoesting die in de dijk is aangericht een paar dagen vóór dat het hoog water wordt, ineens weer hersteld is.

Half december, wij zijn inmiddels weer terug in Zaltbommel, horen we dat er 's morgens in alle vroegte een V-1, waarvan de motor haperde, is neergestort boven op 'Het bruine paardje'. Er zijn negen slachtoffers. De twee kleine jongens die ons zo aanstaarden, worden later aan de andere kant van de dijk in het hoge water teruggevonden. De dijk zelf bleef geheel intact.