Paars personeelsbeleid

De samenstelling van de tweede paarse regeringsploeg heeft de nodige reacties opgeroepen. Een aantal bewindslieden kwam op zulke verrassende posten terecht, dat het een PvdA-congresganger leek op de recrutering bij het leger 'waar de kok chauffeur en de chauffeur kok wordt gemaakt'. Laten we daarom dit nieuwe team vanuit het perspectief van de kenniseconomie bekijken.

Ten eerste is het niet zo dat een hoog aandeel van specialisten per se tot een hoogwaardig team leidt. Naast specialistische kennis zijn immers ook management- en politieke vaardigheden vereist - denk aan Sorgdrager in de vorige regering. En ten tweede gaat het in de kenniseconomie niet alleen om specialiseren, maar ook om combineren: het doorbreken van verkokering en voorbijgestreefde eenzijdige benaderingen via nieuwe combinaties en paradigma's. Er wordt dan ook geregeld gezegd dat we vooral T-vormige specialisten nodig hebben: diep op één terrein, maar breed genoeg om met andere specialisten te kunnen samenwerken. Een manier om dergelijke specialisten te kweken is mensen achtereenvolgens op verschillende terreinen in de diepte te laten gaan.

Grote bedrijven met een uitgebouwd management-ontwikkelingssysteem laten managers daarom geregeld rouleren. Kijken we bijvoorbeeld naar de carrière van Frits Bolkestein bij Shell: van 1960 tot 1964 in verschillende functies voor Shell in Oost-Afrika, van 1965 tot 1968 in Honduras en El Salvador; daarna even dicht bij het centrum in Londen tot 1970, vervolgens in Indonesië tot 1972; in 1972-1973 coördinator van Shell Chemie voor het Midden-Oosten, Azië en Australië; ten slotte lid van de directie van Shell Chemie in Parijs tot 1976, wanneer hij terugkeert naar Nederland om zich in de politiek te storten.

Binnen Paars II is het zeker niet zo dat iedereen op onverwachte plaatsen is terechtgekomen. Feitelijk treffen we het hele scala aan: smalle superspecialisten, zoals Vermeend en Borst; relatieve specialisten met een bredere achtergrond, zoals Klaas de Vries en Bram Peper; mensen die niet echt gespecialiseerd zijn op het vlak van hun departement, maar er wel reeds enige affiniteit mee hebben: Jorritsma, Faber, Van Hoof; en dan de echte departementsvreemden met als meest extreme geval misschien De Grave, die 'met het pistool op de borst' gedwongen moest worden zijn benoeming op Defensie te accepteren. Als ik de eerste twee categorieën samentrek tot 'specialisten' en de laatste twee tot niet-specialisten (en Kok die geen vakdepartment bestuurt, niet meetel) dan is volgens mijn inschatting de regering bijna gelijkmatig samengesteld: bij de ministers 6 specialisten tegen 8 niet-specialisten; bij de staatssecretarissen 7 tegen 7.

Er zijn evenwel grote verschillen tussen de partijen: bij de PvdA 7 specialisten tegen 5 niet-specialisten, bij D66 2 tegen 3, bij de VVD overtroeven de niet-specialisten de specialisten met 7 tegen 4, bij de VVD-ministers zelfs met 4 tegen 2. Bolkestein heeft de Shell-benadering dus zeer consequent op de VVD toegepast. Dat blijkt ook als we mensen met doorgroeimoge- lijkheden afzetten tegen mensen voor wie hun huidige regeringspost waarschijnlijk het maximale is wat ze in hun politieke carrière nog kunnen bereiken. Die vergelijking lijkt me overigens meer ter zake dan de wat onbeholpen opmerkingen over te weinig jeugd of avontuurlijkheid die vooral bij de PvdA te horen waren. Liever jeugdige en creatieve ouderen die niets te verliezen hebben dan streberige jongeren die zo nodig moeten.

Maar vanuit het perspectief van de managementontwikkeling is het natuurlijk belangrijk dat in elk politiek bedrijf voldoende potentiële nieuwe leiders de kans krijgen te ervaren en bewijzen wat ze kunnen. Het criterium specialist/niet-specialist doet hierbij niet helemaal terzake, want iemand die in deze regering een departement krijgt dat bij zijn specialisme aansluit, kan de volgende keer best de kans krijgen zich elders te bewijzen. Maar een niet-specialist die in het vorige kabinet wel zijn specialisme kon botvieren, zit meestal wel een stap verder in de ontwikkeling. D66 heeft buiten vice-premier Borst duidelijk voor een nieuwe generatie gekozen die nog relatief vroeg in haar ontwikkeling zit: 4 op de 5 zijn potentiële doorgroeiers. De VVD telt 9 potentiële doorgroeiers op 11 bewindslieden, waaronder niet weinigen al op een vrij hoog niveau van managementontwikkeling: een grote voorraad van potentiële leiders dus waaruit de partij de volgende keer wellicht kan kiezen - zoals we dat ook zien bij de betere grote bedrijven.

In schril contrast daarmee staat de score van de PvdA: ik kom niet verder dan 7,5 mogelijke doorgroeiers op de 12 (met Kok erbij 13) bewindslieden, waaronder slechts 1 minister: Herfkens. Bij de VVD 5 van de 6! (Die halve bij de PvdA is de partijvoorzitter die staatssecretaris werd. Dit lijkt me een fatale demotie, maar misschien moet dit als een herkansing geïnterpreteerd worden?) Met deze selectie lijkt fractieleider Melkert zichzelf in de niet erg benijdenswaardige positie van enig mogelijke kroonprins van Kok gemanoeuvreerd te hebben. Het CDA is nog steeds niet bekomen van een dergelijke constructie onder Lubbers III.

Conclusie: Bolkestein en de VVD hebben met een uitzonderlijke collectie van zware departementen niet enkel de formatie gewonnen, maar ook, op basis van slim personeelsbeleid, een belangrijke slag in de strijd om de toekomst.

    • Dany Jacobs