Erfenis van Rockefeller

NEW YORK, 12 AUG. De overname van Amoco door een andere oliemaatschappij was volgens analisten slechts een kwestie van tijd. Het bedrijf desinvesteerde vorig jaar voor 1,2 miljard dollar en heeft het aantal landen waarin het actief naar olie speurt teruggebracht tot twintig. Dat was ooit ongeveer honderd. De beperkingen die de onderneming zichzelf daarmee had opgelegd, alsmede de lage olieprijs, maakten samenwerking met een andere maatschappij onvermijdelijk.

Amoco (American Oil Company) is namelijk nog wel een aantrekkelijke partner, zeker voor een buitenlands bedrijf. Het is de vijfde oliemaatschappij in de VS en de grootste producent van aardgas. De vraag naar aardgas groeit sneller dan die naar olie. Amoco is ook de maatschappij met zo ongeveer de grootste reserves in olie en gas, respectievelijk 2,4 miljoen vaten olie en ongeveer 2,5 miljard kubieke meter aardgas. Amoco heeft vooral bezittingen in de Verenigde Staten en goede contacten in Rusland. Al die eigenschappen maken het bedrijf bij uitstek aantrekkelijk voor BP. Het Britse bedrijf heeft daarbij het voordeel dat Amoco van een zodanige omvang is dat integratie geen grote problemen zal opleveren. Ook van de kant van de mededingingsautoriteiten worden geen moeilijkheden verwacht.

Amoco had vorig jaar een omzet van 31,9 miljard dollar en een nettowinst van 2,7 miljard dollar. Het bedrijf is actief in alle facetten van de oliewinning en -verwerking: exploratie, raffinage en verkoop, bijvoorbeeld via zijn tankstations in de Verenigde Staten en in mindere mate Europa.

Amoco, dat sinds 1985 onder die naam opereert, is net als Exxon, Chevron en Conoco voortgekomen uit Standard Oil. Dat bedrijf werd begin deze eeuw van overheidswege opgesplitst wegens misbruik van zijn monopoliepositie. Daarvoor heette Amoco nog Standard Oil of Indiana en was het een volle dochter van Standard Oil. Het bedrijf produceerde aanvankelijk kerosine en kaarsen (tot 1956) maar na de opkomst van benzine richtte het zich vooral op de winning en raffinage van olie.

Het was tegen Standard Oil of Indiana dat de overheid in 1907 een rechtszaak begon. Dat Standard Oil misbruik maakte van zijn monopolie en dat topman John D. Rockefeller daarvan wist, was al zo goed als zeker, maar het moest voor de rechter worden bewezen. De rechter in Chicago legde Standard Oil of Indiana inderdaad een boete op van 29 miljoen dollar, een duizelingwekkend hoog bedrag voor die tijd.

Na afloop van de rechterlijke uitspraak sprak Mark Twain de woorden: “Zoals de bruid zei na haar huwelijksnacht: Ik wist wat ik kon verwachten maar zo groot had ik niet verwacht!” De boete werd later in hoger beroep aanzienlijk verlaagd. Niettemin ging Standard Oil in 1911 voor de bijl en werd Standard Oil of Indiana verzelfstandigd.