Bestrijding van milieudelicten verscherpt

Kleine milieudelicten moeten harder worden aangepakt, vindt het OM. Geen blikjes op straat, geen verf of olie in de goot. “Maar het is hier nog geen Singapore.”

AMSTERDAM, 12 AUG. D.M. (20) komt een beetje bedremmeld binnen bij de politierechter in Amsterdam. “Ja mijnheer, er zat te veel olie in mijn crossmotor, maar ik was heus niet bezig om dat te lozen. Ik hield mijn motor alleen maar scheef om te kijken waar de lekkende olie toch vandaan kwam.”

Uit het proces-verbaal blijkt dat er onder de crossmotor een plas olie lag met een doorsnede van twintig centimeter. Bovendien had hij, toen hij gesnapt werd, verklaard dat hij bezig was met “iets dat niet mag”. En tot slot had hij ook nog de carterdop van zijn motor in zijn hand.

De rechter: “Nu zegt u iets heel anders. Wat was het nou? Liet u de olie eruit lopen, of was u de motor aan het checken?”

M.: “Het laatste, mijnheer.”

Rechter: “Maar waarom had u dan de carterdop eraf geschroefd? Dat doe je toch als je olie uit de motor wil laten lopen? Dat weet ik zelfs.”

M.: “Tsja, ik heb eigenlijk geen idee.” Vijfhonderd gulden boete.

Volgens officier van Justitie L. Boogert, die bij het Amsterdamse parket speciaal is aangesteld om milieudelicten aan te pakken, is er over langere termijn een stijging waarneembaar van het aantal veroordelingen. Bodemverontreiniging, maar ook vieze kookluchtjes (de shoarmazaak zonder reukfilter), verkeerd dumpen van gevaarlijk afval (blik verf in de goot laten leeglopen), illegaal rotzooi verbranden en weggooien van vuil (uit de auto) zijn typische kleine milieudelicten. Boetes lopen uiteen van 120 tot 2.500 gulden. Boogert: “Boetes moeten wel hoog zijn, want de pakkans is klein. En om vijftig gulden wordt gelachen.”

De politie in Amsterdam let er sinds enige tijd strenger op. Maar het is volgens een woordvoerder “nog geen Singapore”, waar je beboet wordt voor elk propje dat je op straat gooit. Nog geen Singapore? Gisteren werden in Amsterdam drie mannen veroordeeld. Delict: het in de gracht gooien van respectievelijk een plastic koffiebekertje, een blikje en een flesje. De eerste moest honderd gulden betalen, de tweede honderdvijftig (Rechter G. Crince le Roy: “Een blikje is erger dan een bekertje.”) en de derde tweehonderd gulden (“Het flesje belandde gevaarlijk dicht bij een bootje.”).

Volgens officier Boogert lijkt dit een bagatel, maar is het in feite zeer belangrijk. Mensen ergeren zich aan zwerfvuil, blijkt volgens hem uit de politiemonitor, een tweejaarlijks onderzoek van de ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie. Uit het onderzoek blijkt dat mensen zich vooral ergeren aan hondenpoep. En diefstal en verkeersoverlast zorgen nog altijd voor meer irritatie dan de 'verloedering' waar het zwerfvuil onder valt.

“Maar het is een vicieuze cirkel. Onverschilligheid ten opzichte van de leefomgeving versterkt elkaar. Als iemand een vuilniszak neerzet, staat er even later een hele stapel”, aldus Boogert. “Het is een soort lik-op-stuk beleid. Ze willen in Amsterdam het kleine zwerfvuil aanpakken, want dat heeft een voorbeeldfunctie”, zegt milieurechtspecialist C. Waling van advocatenkantoor Wladimiroff & Spong.

Aanpakken dus. Vandaar dat gisteren ook weer gebruik werd gemaakt van Artikel 13 van de wet op de bodembescherming. Daarin staat dat de bodem niet verontreinigd mag worden, maar ook dat zelfs het risico nemen dat de bodem verontreinigd zou kunnen worden kan leiden tot een veroordeling. Zoals Alco, die op straat aan zijn motorblok aan het sleutelen was. Geen olie uitgelopen, toch vijfhonderd gulden boete. Omdat er olie uit had kúnnen lopen. Veroordeelde Alco: “Ik vind het nog steeds raar. Er was helemaal geen risico. Ik haal al acht jaar motorblokken uit elkaar”. Zijn vrouw: “Misschien had je dat beter niet kunnen zeggen.”

“Artikel 13 leidt wel vaker tot gekke uitspraken”, zegt Waling. Boogert: “Het is een fijn artikel, want er is veel onder te vangen”.