Salzburg: Parsifal triomf voor Gergjev

Opera is zó populair dat er een enorm gebrek is aan goede zangers, zodat die steeds hogere gages vragen. Zelfs de Salzburger Festspiele, de top op dit gebied, kan niet meer aan alle verwachtingen voldoen. Gergjevs Parsifal wordt superieur gezongen, maar Verdi's Don Carlo is een vocale mislukking.

SALZBURG, 11 AUG. Ondanks een superieure Parsifal onder leiding van Valery Gergjev ontkomen ook de Salzburger Festspiele, die pretenderen topkwaliteit te bieden, niet aan de crisis in de internationale vocalistenwereld. De nieuwe productie van Verdi's Don Carlo betekende het afgelopen weekeinde een treurig dieptepunt. De vocale bezetting kon over de hele linie geen recht doen aan de muzikale grandeur van het werk.

Wie thuis de oude EMI-opname draait onder leiding van Carlo Maria Giulini (met Domingo, Caballé, Milnes, Verrett en Raimondi, 1971) geniet veel meer dan het teleurgestelde publiek in het Grosses Festpielhaus in Salzburg. Ook kan deze productie niet in de schaduw staan van de Salzburgse Don Carlo-historie, zoals de befaamde 1958-uitvoering o.l.v. Herbert von Karajan met Jurinac, Simionato, Siepi en Bastianini, vastgelegd op twee cd's (DG 447 655-2).

Terwijl opera zich tot een internationaal steeds populairder en frequenter uitgevoerde kunstvorm heeft ontwikkeld, worden de topzangers steeds schaarser en duurder. Door het veel te grote aantal optredens, bovendien nog in allerlei stijldisciplines, raken de stembanden van de zangers steeds sneller versleten. Dat leidt weer tot extra hoge gages voor de oude dag, die op steeds jongere leeftijd in zicht komt. Zo zingt Angela Denoke in Salzburg nu wel een prachtige titelrol in Janáceks Katja Kabanova, maar stemdeskundigen vragen zich of zij zich niet te veel forceert.

Gerard Mortier, de artistiek directeur van de Salzburger Festspiele, wilde die spiraal keren door minder veeleisend jong talent te engageren. Maar ook dat is schaars of onvoldoende competent of wil in de festivaltijd vakantie houden. Daarom hoort men in Salzburg in Parsifal toch ook weer superzangers, zoals Placido Domingo, Matti Salminen, Franz Grundheber en Waltraud Meier.

De nieuwe enscenering van Don Carlo in de korte Italiaanse versie door regisseur Herbert Wernicke werd geruïneerd door problemen met de cast. Samuel Ramey, oorspronkelijk voorzien als de vertolker van de grote rol van Filips II, zegde af vanwege een echtscheiding. Hij werd opgevolgd door René Pape, aanvankelijk aangenomen voor de minieme rol van Karel V. Dat éne regeltje in de slotscène wordt nu gezongen door de Engelse bas Robert Lloyd, waarschijnlijk verreweg de beste zanger op het podium.

De aanvankelijk voor de titelrol aangekondigde Johan Botha werd vervangen door de Russische tenor Sergej Larin. Andrea Gruber (Elisabetta) werd tijdens de repetitie wegens onvoldoende kwaliteit naar huis gestuurd en vervangen door de Russische Marina Mescheriakova. Dolora Zajick wisselt de rol van Eboli af met Yvonnen Naef. Het uiteindelijke resultaat is dat van de oorspronkelijke cast slechts twee zangers - Carlos Alvarez (Rodrigo) en Paul Plishka (Grootinquisiteur) - alle acht voorstellingen zingen.

Alvarez is een goede zanger, maar bereikt hier niet het vereiste niveau. Dat geldt voor bijna de hele cast, al weet Mescheriakova nog een paar prachtige pianissimi-passages te zingen. Plishka blijkt helemaal uitgezongen, de Grootinquisiteur van Jaco Huijpen bij de Nationale Reisopera was stukken beter en schrikwekkender.

De falende zangers lieten alle ruimte voor te veel aandacht voor de teleurstellende enscenering van Wernicke. Hij ontwierp ook in zwart-wit de kostumering en het decor, dat lijkt geïnspireerd door de gevels van het Amsterdamse Muziektheater.

Wernicke presenteert wat gedachten, waarover men liever niet al te diep moet nadenken. Het harde verhaal tegen de achtergrond van de genadeloze acties van de Spaanse Inquisitie en de Tachtig-jarige Oorlog speelt in 'het labyrint van de macht' aan het strenge hof van Filips II, wiens vierhonderdste sterfdag dit jaar wordt herdacht. Alle personages luisteren elkaar af. Ook de schim van Karel V, normaal slechts in de slotscène te zien, zwerft hier telkens rond. Rodrigo speelt schaak met Filips: alweer een spel in zwart-wit.

Een productie kan mislukken, zangers kunnen falen, maar de Wiener Philharmoniker mogen zelfs onder de flodderige leiding van Lorin Maazel niet zó ongeïntereseerd en liefdeloos vlak spelen. Deze Don Carlo is er een uit de dagelijkse routine van de Wiener Staatsoper en geen festival-voorstelling.

De avond tevoren waren de Wiener in dezelfde zaal juist op hun best tijdens Wagners Parsifal onder leiding van de luid bejubelde Valery Gergjev, die voor de tweede keer in Salzburg optrad en zich nu ook als een superieur Wagnerdirigent profileerde. Wat jammer dat op het komende Gergjev-festival in Rotterdam Tristan und Isolde is vervangen door Puccini's Manon Lescaut. De uitvoeringen waren opgedragen aan de nagedachtenis van de vorig jaar overleden Sir Georg Solti, die ze oorspronkelijk zou dirigeren.

Met zijn immer bewegende handen en trillende vingers modelleerde Gergjev een fenomenaal intense uitvoering, waarbij het orkest hem wel zeer gedetailleerd moest volgen. Gergjev wist de opening met die lange strakke lijnen al een geweldig geladen spanning te geven en verkende alle mogelijkheden van het orkest, van de sonoorste diepe dreun, via scènes met mythische mystiek en sterk bewogen lyriek tot het het flitsend kleurrijke spel in de tweede acte, die speelt in Klingsors tovertuin. Die tweede acte werd een langdurig toegejuichte triomf voor Waltraud Meier als Kundry, al jaren haar glansrol die zij met ongeëvenaarde inzet op geheel eigen wijze brengt: geen verloederde verschoppeling maar een zelfbewuste verleidelijk mooie vrouw.

Al was de uitvoering aanvankelijk aangekondigd als 'concertant', hier zorgde Mortier voor een 'scènisch arrangement' van Joachim Rathke. Houten wanden links en rechts lieten in het midden een brede opening voor opkomsten van solisten, terwijl het massale koor van graalridders van terzijde opkwam. Wisselende kleurvlakken en - in de tweede acte - een kleurige kostumering van bloemenmeisjes en Kundry zorgden zo voor een sobere enscenering van dit ideeën-stuk, dat het goed zonder visualisering kan stellen. Alleen de scène met de zwaan miste het gevoel van ontzetting over de dood van het vereerde beest.

De oude en gezette Placido Domingo - heel goed maar niet werkelijk uitzonderlijk zingend - had geen enkele moeite om zijn rol van de jonge dwaas Parsifal visueel waar te maken. Domingo heeft persoonlijkheid, houdt zijn rol elke sconde vast. Bovendien leek hij echt wel een jongen naast de boven hem uit torenende machtige gestalte van Salminen in de rol van Gurnemanz. Het scènische hoogtepunt in deze 'concertante' uitvoering viel toen Parsifal bijna Kundry zou kussen, maar zich nog juist op tijd bedacht deze zonden niet te begaan. Domingo wendde zich af, keek naar de partituur op zijn lessenaar en zag daar 'Amfortas! Die Wunde!' Hij was letterlijk weer bij de les, een unieke uitbeelding van deze cruciale scène in Parsifal.