Peter Doig schildert de paniek die optreedt voor de spiegel

Tentoonstelling: Peter Doig. Whitechapel Art Gallery. T/m 16/8. Open: di-zo 11-17u, wo 11-20u. Catalogus £ 15.00. Patrick Heron. Tate Gallery, Londen. T/m 6/9. Open: dag 10-17.40u. Catalogus £ 17.50.

Geen kunstenaar is een onbeschreven blad. Op zijn minst in kunsthistorische zin. Altijd zijn er invloeden die geabsorbeerd en vermalen worden en die een volgend leven ingaan. Daarvan zijn nu in Londen twee mooie voorbeelden te zien: het overzicht van Patrick Heron (1920) in de Tate Gallery en de tentoonstelling met recente werken van Peter Doig (1959) in de Whitechapel Art Gallery. Beide schilders worden tot de prominentste van Groot-Brittannië gerekend, Heron 'van de hele eeuw' en Doig van de laatste jaren. Wat niet wegneemt dat beiden in het buitenland nauwelijks bekend zijn.

Bij Patrick Heron komt dat waarschijnlijk omdat zijn werk te vaak doet denken aan dat van andere schilders, zoals Bonnard, Picasso, Braque, Matisse. Vooral aan Matisse, en zo verwonderlijk is dat niet. Heron, een typische St. Ives schilder, is vergroeid met Cornwall, waar de wereld de zee is, landschap en licht. Het is er ook beschermd en sereen vanwege Eagles Nest, het ouderlijk zomerhuis, dat als een moederschoot is die hij later zelf terugkocht om er nooit weer weg te gaan en waar zijn bloementuin zijn exotische inspiratiebron is.

Vanaf het moment dat Heron zich, in 1955, voorgoed in Eagles Nest vestigde, werd zijn werk volledig abstract. Schilderde hij aanvankelijk landschappen, stillevens en portretten, formeel en kleurrijk gecomponeerd, in zijn latere series zette hij strepen, banen helder scharlaken, citroen en ultramarijn naast elkaar; of gedekter, omber, oker en donker-paars. Als de strepen smal blijven dan doen ze denken aan de doeken van Morris Louis. Worden ze breden, dan schemert Rothko erin door.

Rond 1960 ontstaan wat misschien Herons meest eigen beelden zijn: grote kleurvelden met zwevende cirkels en rechthoeken met onvaste contouren. Wanneer die contouren knipselachtig worden, komt opeens Matisse weer de hoek kijken. Een speelse, open kinderlijke finale volgt in de jaren tachtig en negentig. Wat je wel vaker bij oudere schilders ziet.

Een modernist avant-la-lettre, dat is Heron. Iemand die uit is op harmonie, universele beelden. En die een hartstochtelijk pleidooi houdt voor de waarde van decoratie, wat hij het summum van kunst noemt en waaronder hij een dusdanige organisatie van het schildersoppervlak verstaat dat deze louter een lust voor het oog is. Een waarde die hij herkent bij Tintoretto, Velazquez en Constable, maar waarin hij in avant-garde kringen tamelijk alleen staat.

Toch speelt diezelfde 'decoratieve' kwaliteit bij Peter Doig, de 39-jarige schilder die in eerste instantie Herons volstrekte tegenvoeter lijkt, met zijn spannende verhaalschilderijen, gebaseerd op autobiografische gegevens.

Doig breekt pas de laatste jaren door. Na twintig jaar in Canada te hebben gewoond, keerde hij voor zijn opleiding in 1979 terug naar Londen, won diverse prijzen en werd in 1994 zelfs genomineerd voor de prestigieuze Turner Prize. De huidige solo-tentoonstelling, eerder in Kiel en Neurenberg te zien, is zijn eerste in een Britse openbare instelling.

Is Herons schilderkunst sereen en eenduidig, bij Doig broeit het, voel je je ongemakkelijk. Zijn schilderijen zijn tegelijk feeëriek en macaber, vernieuwend en traditioneel. Landschappen zijn het, in psychedelische kleuren, waarin altijd mensen voorkomen of waarin hun aanwezigheid gesuggereerd wordt door een bootje op een meer of een huis in het bos. Het opgaan van de mens in dit landschap - lees: het schilderij - lijkt Doigs voornaamste thema. Of die mens nu als groengele zombie voorover hangt in een bootje voor een onherbergzaam bos, zichzelf in een donkere bosvijver weerspiegeld ziet of op een snowboard buitelt door een wit-lila-roze sneeuw-paradijs: alles is één atmosferische dichtheid. Dat zal uiteindelijk wel neerkomen op het verlangen van de schilder één te zijn met zijn onderwerp. En die komt bij Doig vooral tot stand in de schilderhuid, waar het juweelachtig, gelaagd en doorwerkt is, op het behaagzieke af. Én decoratief!

Ook Doig borduurt voort op anderen, als Friedrich, Munch, Bonnard, Van Gogh en Hopper. Toch zijn die niet meer dan tijdelijke koksmaatjes voor Doigs eigen Grand Dessert. Hij vermaalt ze overtuigend, zoals in Figure in Mountain Landscape (1997), geënt op Friedrich: een figuur op de rug gezien die zit te schilderen in een sneeuwlandschap. In die sneeuw krioelt het van zilverlila en zwavelgele granulaties. Binnen de figuur tekent zich een landkaart-achtig patroon af, met bliksemflits-lijnen en hardroze vlakken tegen een donkere achtergrond, en op het doek dat hij zit te beschilderen wordt een samenspel zichtbaar van beide 'schilderijen': van wat hij in zich heeft en buiten zich ziet.

Terwijl in dat sneeuwlandschap een eenheid van binnen- en buitenwereld wordt gesuggereerd, zo heerst er in het prachtige Echo Lake (1998), geïnspireerd door Munch, eerder paniek. Daar grijpt een man, staand voor zijn spiegelbeeld in een waterpartij in een zinsbegoochelend nachtbos, met zijn handen naar zijn hoofd. Achter hem loert een politiewagen.

Het zijn zowel de contrasten tussen de werken onderling als de verrassende voorvallen, die soms razendknap zijn neergezet, waarin Doig zich onderscheidt van Patrick Heron. Diens harmonie houd je toch redelijk snel voor gezien, terwijl de suspense en onrust op de doeken van Doig je langer dan een tentoonstelling bijblijven.

    • Elly Stegeman