Partijbelangen doen de publieke zaak geen goed

De staatsrechtelijke rituelen zijn inmiddels weer achter de rug. De veel belovende partijleiders op verkiezingstournees hebben zich na de verkiezingen verpopt tot informateurs. Vlijtig hebben zij een uitgebalanceerd regeerakkoord gesponnen op basis waarvan de formateur als apotheose van de staatsrechtelijke wisseling van de wacht de samenstelling van zijn kabinet bekend kon maken en aan het kiezersvolk kon presenteren. Gaande dat proces werden de schreeuwerige podia van de campagne verwisseld voor de Haagse achterkamertjes van waaruit de pers, en daarmee ook de samenleving, slechts mondjesmaat werden geïnformeerd.

De samenstelling van de regeringsploeg lijkt vooral door de politieke kleur, incrowd en sekse van de beoogde bewindspersonen bepaald. Bij de perspresentatie van de regeringsploeg werd er uiteraard op gewezen dat échte bestuurders een brede inzetbaarheid hebben en de noodzaak van inhoudelijke deskundigheid niet overschat mag worden.

Alhoewel in het paarse coalitiekamp een dualistische opstelling van de Kamer wordt gepropageerd, wordt de politieke speelruimte van de gelieerde politieke partijen zorgvuldig vastgelegd in het regeerakkoord. Dat lijkt thans nog strakker en gedetailleerder geredigeerd dan in het eerste paarse regeerakkoord het geval was. De verkiezingsprogramma's van de regeringspartijen zijn naar behoefte gemixt en vervolgens uitgehard in het regeerakkoord waaraan het kabinet uitvoering dient te geven. Daaraan zullen ook de regeringspartijen in de Kamer zich gebonden weten. De exegese van het regeerakkoord verdringt zodoende bestuurlijke creativiteit en zal de gepretendeerde dualistische opstelling van de Kamer in de kiem smoren. De praktijk zal daarom wederom leren dat de politieke marges in een coalitiekabinet uitermate smal zijn, alle opnieuw geformuleerde ferme verkiezingsbeloften ten spijt.

De burger die ziet dat deze taferelen zich om de vier jaar herhalen, heeft daarom begrijpelijkerwijze geen al te hoge pet op van de geloofwaardigheid van de politiek. Bewindspersonen kunnen hun bestuurlijke deskundigheid vooral tonen in het crisismanagement, op beleidsterreinen die in het regeerakkoord niet konden worden geregeld, zoals de volkerenmoord in Srebrenica onder de ogen van het Nederlandse contingent VN-militairen, de varkenspest, de IRT-affaire en zijn nasleep, de technolease- en Securitel-affaire. De bestuurlijke afgemetenheid is echter de realiteit in een op partijen gebaseerde parlementaire democratie. “Wij zijn geen kabinet van avonturiers”, hoorden we Kok dan ook duidelijk zeggen. Onverhoedse grote maatschappelijke verschuivingen behoeft men dan ook niet te vrezen. Hierin ligt tevens de oorzaak dat de politiek in haar normale bedrijf weinig spectaculair is. Pas de affaires geven Kamerleden ruimte voor aanwezig profileringstemperament. Kritische beleidsconclusies blijken in de praktijk evenwel snel te verflauwen. Ter wille van de lieve coalitievrede met ingebouwde boemerangangst voor te scherpe kritiek op een coalitiebewindspersoon zakt de Haagse bluf al snel in elkaar tot een slap verbaal aftreksel. Strakke partijpolitieke binding maakt muf.

Sterker dan tot heden het geval was, zouden in het landsbestuur argumenten moeten worden afgewogen tegen dogmatische partijprogrammatische stellingen. Een technocratisch ingesteld kabinet zou de gepropageerde dualiteit in de politiek meer reliëf kunnen geven. Het is echter maar de vraag of de politieke partijen voor het daarvoor gewenste tegenwicht de vereiste deskundigheid in huis hebben. Op zeer belangwekkende beleidsterreinen als bijvoorbeeld de belastingheffing is deze deskundigheid van de Kamer uitermate pover. Dat komt de gewenste dualiteit zeker niet ten goede. Gebrek aan inhoudelijk tegenwicht kan gemakkelijk leiden tot weinig vruchtbaar partijpolitiek gekissebis.

In feite heeft ons huidige parlementaire stelsel slechts een zeer beperkt maatschappelijk draagvlak. Eigenlijk is sprake van een partitocratie. Ons staatsrecht, dat formeel het begrip politieke partij nog niet eens kent, geeft aan de politieke partijen een machtspositie die zij gretig hebben uitgebouwd, ook op die terreinen van het maatschappelijke leven waar dit niet nodig is. Bij de kabinetsformatie zou idealiter méér moeten worden gelet op de persoonlijke bestuurlijke en inhoudelijke deskundigheid dan op de partijpolitieke kleur, maar in een coalitiekabinet is te billijken dat voor de bewindspersonen een redelijk strakke politieke binding als benoemingsvoorwaarde wordt gehanteerd. Voor talloze andere ambtelijke of bestuurlijke functies is deze noodzaak evenwel niet aanwezig; soms is zij zelfs ongewenst en bedenkelijk. Ook al schrijft de grondwet voor dat iedere Nederlander toegang moet hebben tot een bestuurlijk ambt, toch hebben in de praktijk niet-partijleden geen schijn van kans bijvoorbeeld tot commissaris van de koningin of tot burgemeester benoemd te worden. Opmerkelijk, omdat benoeming in deze functies juist de kunst vereist bestuurlijk boven de partijen te opereren. Maar ook de topambtenaren op ministeries, bestuurders van de zelfbesturende organen en adviescolleges worden veelal op basis van hun (partij-)politieke kleur aangesteld. Ook in de na de formatie volgende stoelendans zal dat weer blijken.

De politiek zou meer oog mogen hebben voor het feit dat slechts een klein percentage burgers aangesloten is bij een politieke partij. In politieke kringen bestaat de neiging deze excommunicatie van niet-partijleden aan hun eigen politieke passiviteit toe te schrijven. 'Dan moeten ze zich maar politiek engageren!' Niet-partijleden behoeven echter geen politieke onbenullen te zijn; het kunnen ook politiek bewuste burgers zijn die een vast partijkader te benauwend vinden en hun politieke soevereiniteit te hoog schatten om deze in te ruilen voor partijdiscipline en partijsolidariteit.

Jammer is, dat paars beleid, dat juist oog zou moeten hebben voor deze politiek emancipatoire opstelling, onvoldoende in staat is het beklemmende partijpolitieke kader te doorbreken en aanvaardt dat het algemeen belang in toenemende mate gegijzeld wordt door partijbelangen.