Journal of Political Economy

Nederland dankt zijn zelfstandigheid aan het vermogen van Genuese bankiers om Philips II van Spanje te dwingen zijn schulden te betalen. In 1575 draaiden ze de geldkraan dicht, net op het moment dat de hertog van Alva op het punt stond zijn veldtocht tegen de Nederlandse rebellen zegevierend af te sluiten. Bij gebrek aan betaling door de Kroon plunderden de Spaanse troepen de stad Antwerpen in 1576. Daarmee verloor de Spaanse Kroon haar beste kans om de opstand in de Lage landen in de kiem te smoren.

Aan de hand van deze historische ontwikkeling bespreekt James Conklin van de University of Texas de theorie van de staatsschuld in de Journal of Political Economy. Staatsschuld, met het risico van bankroet, is van alle tijden, en komt voor onder elke staatsvorm. De laatste decennia groeit het aantal leningen van rijkere landen aan minder ontwikkelde landen en leidt in veel gevallen tot herhaaldelijke bijstelling van contracten teneinde bankroet te voorkomen. De houdbaarheid van de schuldenlast van landen als België, Italië, Canada, en zelfs de Verenigde Staten is discutabel. Maar hoe riskant te veel staatsschuld ook is, het is zeker dat het een blijvend verschijnsel is, meent de auteur. Het grootste probleem is dat het de vrije beweging van kapitaal belemmert.

Wie geld leent aan de overheid moet er zeker van zijn dat hij in staat is om het op eigen kracht terug te krijgen, want er is geen derde partij die de overheid kan dwingen tot terugbetaling. De ervaring leert overigens dat de geldschieters nooit geld zullen lenen als ze alleen maar beschikken over de sanctie dat bij gebrek aan afbetaling niet meer geleend mag worden. Ze moeten kunnen beschikken over de mogelijkheid om terugbetaling af te dwingen met andere dan financiële middelen.

Zo wisten de Genuese bankiers dat de Spaanse Kroon veel over had voor het bedwingen van de opstand. Vanaf 1566 tot 1575 besteedde Philips II 2 miljoen dukaten per jaar aan de veldtocht van Alva. Dat was een kwart van het jaarlijkse budget van de Kroon. Dat kon er af omdat de Spanjaarden beschikten over het zilver uit de koloniën. De Genuese bankiers vervulden een bemiddelende rol, omdat ze in staat waren het Indische zilver te wisselen voor het goud dat nodig was om de troepen in de Lage Landen te betalen.

Ze konden dat omdat ze beschikten over een netwerk van depositokantoren in heel Europa, omdat ze in staat waren activiteiten als lenen, geld wisselen, handel en verzekeringen te integreren en omdat ze goed vertegenwoordigd waren op alle markten en beurzen in Europa. In dat kader was het essentieel dat ze ook nauwe relaties onderhielden met Venetië, toen de schakel tussen Oost en West.

Toen de bankiers hun bemiddelende activiteiten staakten, bleek dat de Spanjaarden niet op eigen kracht in staat waren het Indische zilver om te zetten in betaling aan de troepen in de Lage Landen. Ook bleek het onmogelijk te zijn het zilver over land of zee te vervoeren omdat ze slechte betrekkingen onderhielden met Frankrijk en Engeland.

Na twee jaar onderhandelen hervatte Spanje de afbetaling aan het Genuese kartel. Dat doen staten altijd, leert de historische ervaring, omdat een staat zijn betalingsreputatie niet wil verliezen. Immers, een staat die bankroet gaat, kan nooit meer lenen, ook niet bij zijn eigen vooraanstaande burgers en verliest daarmee zijn basis.

De Journal of Political Economy verschijnt elke twee maanden en is een uitgave van de University of Chicago Press, 5720 S. Woodlawn Ave., Chicago, Illinois 60637.