Humor

Misschien kwam het doordat ik het in België las dat het me zo hard trof. De kop op de voorpagina van de Nederlandse ochtendkrant. Ons nieuwe kabinet voor het eerst bijeen. Eerste plan: België bezetten. Ook thuis zou deze proeve van paarse officiershumor me niet aangenaam zijn geweest, maar op het Antwerpse terras besefte ik pijnlijker hoezeer dit bericht in overeenstemming was met alle nare verhalen die daar toch al de ronde doen over de Nederlanders.

Ze hebben daar veel te stellen met Nederlanders die leuk willen zijn. Die maken veel lawaai, doen hun broek omlaag en pissen tegen de gevels en in de bierglazen. En hun ministers lachen zich een deuk om de bezetting van België. Niet in een kort moment met een grapje dat even bij je opkomt en je mond uit is voor je het weet, en daarna ga je snel tot iets anders over, o nee, tot in de smakelijkste details werd de veldtocht doorgegrapt. “Opstoten naar Luxemburg is nog lang onderwerp van hilarische beraadslagingen“, stond in een ander verslag van de vrolijke ministersvergadering.

Gezellig, vlot en fantastisch, prima, prima, prima en, bijna ten overvloede, nog een keertje prima, zo prima gaat het toe in het kabinetsberaad, weten we sinds kort van een ingewijde. Het zou een aardig karweitje zijn voor een van de zomergasten die op zondag een avond televisie samenstellen: een compilatie maken van de vrolijke lachbuien in het Nederlandse parlement door de jaren heen. Zie hoe de schokgolf van vrolijkheid door de rijen gaat, oppositie en regeringspartijen, parlement en kabinet verenigend. Hoor hoe er niet één keer iets echt leuks gezegd wordt. Het zou een schokkend filmpje zijn, niet geschikt voor jeugdige kijkers, die toch al weinig willen weten van de politiek.

Het is een ware gesel van de moderne tijd, de humor. Speel zelf voor zomergast en zap de televisiekanalen langs. Als ze niet schieten dan lachen ze, het is gegarandeerd.

In klassieke beschouwingen over de humor wordt de humorist geroemd als de mens die zich bewust is van het betrekkelijke der menselijke ervaringen en met milde spot, zichzelf niet sparend, ons de verborgen keerzijde der dingen toont, in 'een rijke taal vol geest - en ingehouden tranen'. De humor wordt in die beschouwingen streng onderscheiden van de ironie, het sarcasme en het komische. Achterhaald zijn deze subtiele onderscheidingen. Er bestaat nog maar één vorm van vrolijkheid, die je de hooliganshumor zou kunnen noemen, waarin de mens viert dat hij het goed met zichzelf getroffen heeft.

Waar die ministersgrappen over de Belgische veldtocht sterk aan deden denken was een grapje dat Ronald Reagan eens maakte toen hij president van de Verenigde Staten was. Bij een microfoontest sprak hij de zin: “Ik heb zojuist opdracht gegeven om de Sovjet-Unie plat te bombarderen.“ Hoe lang het duurde voor het tot zijn gehoor doordrong dat het maar een grapje was, weet ik niet.

Interessante verschillen toch tussen de Nederlandse en de Amerikaanse politieke humor. De Amerikaanse president werd overal waar hij ging altijd vergezeld door iemand die het beroemde koffertje droeg waarmee de instructies voor de nucleaire apocalyps konden worden gegeven. Reagan was werkelijk in staat om het grootste gedeelte van de menselijke bevolking op aarde om zeep te helpen, vierentwintig uur per dag was hij daartoe in staat, iedere dag van zijn ambtsperiode. Het moet voortdurend in zijn gedachten zijn geweest, meestal weggedrongen door allerlei praktische beslommeringen, maar altijd op de achtergrond aanwezig. Tenminste, zo zou het mij gaan als ik de mogelijkheid had om de wereldbevolking uit te roeien. Is het geen bovenmenselijke opgave om het voortdurend niet te doen, vier of acht jaar lang? En als je je uit de naad werkt voor staatszaken van het hoogste belang voor Amerika en de wereld, en je wordt dan jarenlang getreiterd door etterbakken die je lastig vallen met onsmakelijke praatjes over de speciale kenmerken van je geslacht en over spermavlekken op een jurkje, zou je dan nooit eens in de verleiding komen om er voor iedereen een eind aan te maken? Het zijn sterke mensen die deze verleiding kunnen weerstaan. Reagans grapje peperde zijn gehoor een waarheid in. Eigenlijk zei hij: “U en ik weten dat ik u allen kan doden, op ieder moment van elke dag. Ik doe het niet, ik maak een grapje. Wees dankbaar voor mijn gevoel voor humor.“

Het valt niet aan te nemen dat de verovering van België werkelijk de gedachten van onze ministersploeg beheerst. Het bijna onophoudelijke paarse geschater lijkt eerder een uiting van iets dat met een medische term werkelijkheidsverlies genoemd zou kunnen worden. De politieke tegenstellingen zijn afgeschaft. De diensten van openbaar nut zijn geprivatiseerd. De nationale soevereiniteit is aan de eurobank overgedragen. Wat doen die ministers eigenlijk nog? Nog heel wat, er zijn problemen genoeg. Maar vergeleken bij wat hun voorgangers deden, moet het toch een beetje armetierig lijken.

Iemand glijdt uit over een bananenschil. Een toeschouwer ziet het. Hij ziet iemand die valt en tijdelijk weerloos is. Plotseling is de ongelukkige uitglijder in de situatie van een prooidier dat gepakt zou kunnen worden en opgegeten. De toeschouwer eet hem niet werkelijk op. In plaats daarvan lacht hij.

Volgens Elias Canetti, bij wie ik vaak te rade ga, lacht de mens als hij zou kunnen eten, maar het niet doet. Als hij de uitglijder echt op zou eten, zou hij niet lachen. Dieren lachen niet, want die eten gewoon, ze kennen geen symbolische eetsituaties waarin ze van eten afzien maar er toch aan herinnerd worden. Het enige dier dat een geluid voortbrengt dat doet denken aan ons gelach, is de hyena. Waarom? Bedenk dat de hyena een aaseter is, die zijn prooi niet zelf doodt, schrijft Canetti. Hoe vaak moet het de hyena niet zijn overkomen dat het aas door een ander dier voor zijn neus werd weggepakt, net als hij honger had? Onze Nederlandse ministers krijgen in de politiek niet genoeg te eten, daarom lachen ze zo.