Eerherstel voor Britse deserteurs

Britse deserteurs tijdens de eerste wereldoorlog werden gefusilleerd 'als voorbeeld voor de troepen' en zonder een behoorlijk proces. Nabestaanden eisen nu eerherstel.

LONDEN, 11 AUG. Zoals voor Nederlanders “de oorlog” in het spraakgebruik de aanduiding is voor de Tweede Wereldoorlog, zo geldt voor veel Britten die aanduiding nog steeds voor de Eerste Wereldoorlog. Zo vernietigend was “The Great War” in zijn uitwerking op een hele generatie jonge mannen en hun families, dat het voor een buitenstaander zelfs na tachtig jaar nog lijkt of de Tweede Wereldoorlog hier de inbreuk van de oorlog van 1914-1918 nooit helemaal heeft kunnen uitwissen.

Niet in de kerken, waar op de gedenkstenen voor de plaatselijke regimenten de lijst namen van de gevallenen uit de Eerste Wereldoorlog altijd langer lijkt dan die uit de periode 1940-1945. Evenmin op de duizenden oorlogsmonumenten en -monumentjes waar jaarlijks in november een zee van rode klaprozen terugwijst naar die eerste “Wapenstilstandsdag”, al herdenkt men nationaal de doden van álle oorlogen sindsdien. En evenmin in het nationaal bewustzijn, waar het toenmalig verlies van 750.000 soldaten en de verminking van honderdduizenden meer voelbaar blijft tot in de derde en vierde generatie.

Het is tegen die achtergrond dat een jongere generatie, vaak achterneven en -nichten van de gesneuvelden, pas in de laatste jaren een onderwerp heeft durven aansnijden dat tientallen jaren onbespreekbaar is gebleken: het lot van diegenen die niet postuum als helden uit de oorlog zijn gekomen. Het gaat om die categorie waarvan de namen op geen monument vermeld staan en over wie de naaste familie nooit eerder openlijk heeft durven spreken. Het gaat om de lotgevallen van “de deserteurs”.

“Ik kreeg een van die onnozele kereltjes toegevoegd”, schreef ene captain Slack van het East Yorkshire regiment in 1916 in zijn dagboek, een van de vele contemporaine documenten die later werden toegevoegd aan de eindeloze hoeveelheid documentatie over deze oorlog. “Hij had ze beslist niet allemaal op een rijtje. De oorlog duurde al enige tijd en we kregen waardeloos materiaal aangevoerd en hij werd toegevoegd aan mijn compagnie en hij liep weg en hij werd opgepakt en hij ontsnapte weer en deserteerde en toen besliste de krijgsraad dat hij gefusilleerd diende te worden. En ik, samen met mijn sergeant-majoor moest tien man uitzoeken om hem neer te schieten en één van mijn ondergeschikten moest het peloton aanvoeren, gewapend met een revolver. Ik was er niet bij. Ik wilde er niet bij zijn. En voor die tien man was het ook geen pretje. Ik ging met mijn sergeant-majoor ook niet in op de details, hoe het precies gedaan moest worden. Of hij nu op een stoel gezet moest worden, of een blinddoek voor moest krijgen of dat ze een doelwit op zijn hart tekenden - ik vroeg mijn ondergeschikte achteraf niet eens hoe het precies was gegaan. Het was een afschuwelijk iets om te doen, maar gebeuren moest het. Niet dat het enig effect had op het moreel van de troepen.”

De “deserteur” in dit fragment is volgens actievoerders voor eerherstel voor een groep van 307 van zulke plichtsverzakers, typerend voor de soort. Terugkijkend met de wetenschap van nu voeren zij aan dat deze zogenaamde deserteurs in vele gevallen leden aan hetzij shell-shock hetzij posttraumatisch stress-syndroom. Zij werden gefusilleerd “als voorbeeld voor de troepen”, “willekeurig” en zonder een behoorlijke procesvoering. Zoals de nu 74-jarige Norah High zaterdag nog eens aan The Times uitlegde over haar oom Willy Nelson, die ze nooit gekend heeft: “Ons eigen kamp heeft hem gedood”. En Norah High, samen met de nabestaanden van de andere 306 gefusilleerden, wil dat dat na zoveel jaar door de regering hardop wordt gezegd en erkend, waarna postuum en algeheel eerherstel kan volgen. Norah vecht uit naam van haar inmiddels overleden moeder, de zuster van Billy, die nooit heeft durven praten over de schande waarmee Billy's naam was overladen. Andere nabestaanden vertellen van gedwongen verhuizingen naar een stad waar niemand wist van de desertie en van buren die opeens “Duitsers!”riepen en hun kinderen gelastten niet langer bij het getekende gezin te gaan spelen.

De actie van de nabestaanden is door het Britse ministerie van Defensie van het begin af aan met de grootste behoedzaamheid bekeken en - zeggen sommigen - zoveel mogelijk gedwarsboomd. De militaire top zou verantwoordelijke bewindslieden hebben gewaarschuwd voor de gevaren voortvloeiend uit een algeheel en postuum eerherstel: nabestaanden van andere deserteurs uit andere oorlogen zouden ook met eisen komen en gerechtelijke procedures voor schadevergoeding lagen in het verschiet. Maar had Labour-defensiewoordvoerder en inmiddels staatssecretaris, John Reid, niet gesproken over “een onrecht dat hersteld moet worden”?

Aan een aanhoudend probleem, de bewaring van de processtukken van de krijgsraad als staatsgeheim, werd in 1983 enigszins tegemoet gekomen. De toenmalige regering stond een eerbiedwaardig rechter, Judge Babington, toe om de stukken in te zien en aan zijn studie conslusies te verbinden. Babington vond ondermeer dat de krijgsraad in slechts in 10 procent van de gevallen beschikt had over een medisch rapport en dat 85 procent van de zogenaamde deserteurs geen rechtsbijstand had gehad. Velen waren door de verschrikkingen van deze zinloze oorlog - “lions led by donkeys” - geestelijk en/of lichamelijk gebroken.

De auteurs van het binnenkort te verschijnen Shot at Dawn, Julian Putkowski en Julian Sykes, hebben daarin een inventarisatie gemaakt van alle gevallen waarin de Britse krijgsraad tussen 4 augustus 1914 en 31 maart 1920 tot een terdoodveroordeling kwam. Daaruit blijkt dat er van de 3080 doodvonnissen slechts 307 daadwerkelijk werden uitgevoerd en dat - in de woorden van Putkowski - “alleen de allerstomsten werden gefusilleerd - degenen die ze toch niet konden gebruiken”. De lijst van met het vuurpeloton bestrafte vergrijpen variëert van “op wacht in slaap gevallen” (2 gevallen) tot “lafheid” (18 gevallen), “ongehoorzaamheid” (5 maal) en “slaan van een hogergeplaatste officier” (5 maal) tot “gefusilleerd wegens desertie” (218 gevallen).

De actiegroep van nabestaanden voert aan dat de term “desertie” in veel gevallen als stempel werd gebruikt voor het gedrag van mannen die shell-shocked ronddwaalden in het platgebombardeerde maanlandschap van Vlaanderen en Noord-Frankrijk en die niet in staat waren nog ooit gehoor te geven aan het bevel dat hen uit hun loopgraven moest drijven: “Over the top!”

John Reid, staatssecretaris van Defensie, kwam uiteindelijk eerder deze maand met zijn eindoordeel. Duidelijk gesouffleerd door de militairen op zijn eigen ministerie moest hij “tot mijn diepe spijt” het verzoek om algehele postume gratie afwijzen. De processtukken van destijds waren in veel gevallen te mager - of zelfs geheel afwezig en herziening van een gerechtelijk oordeel na zoveel jaar was daarom niet meer mogelijk. Reid waarschuwde voor een andere complicatie: stel dat het op grond van nog wel aanwezige stukken tot een hernieuwde veroordeling zou komen, zou dat dan niet dubbel leed betekenen?

“Wij kunnen de geschiedenis niet herschrijven door ons oordeel van nu zwaarder te laten wegen dan dat van de rechters toen, hoe we daar nu ook op mogen terugkijken. Ik ben ervan overtuigd dat allen die nu over dit onderwerp nadenken, erkennen dat de soldaten die destijds deserteerden, dat deden onder de meest verschrikkelijke omstandigheden en dat ze daarmee in hun eigen oordeel volledig rekening zullen houden.”

Reid voegde daar nog aan toe dat de namen van de deserteurs wat hem betreft alsnog toegevoegd kunnen worden aan de lijst van de andere gevallen kameraden. Het is een vorm van eerherstel - maar het is geen gratie.