Een mooi gebaar

DE NEDERLANDSCHE BANK beleeft zijn laatste jaar als onafhankelijk instituut. Op 1 juni jongstleden is de nationale centrale bank onderdeel geworden van het stelsel van Europese Centrale Banken (ECB) en op 1 januari 1999 houdt de gulden op te bestaan als nationale munt. Vanaf die datum tot eind 2001 circuleren er weliswaar nog guldens in Nederland, maar die zijn dan een verschijningsvorm van de euro, de nieuwe Europese munt. Aan een lange geschiedenis als hoedster van de gulden komt daarmee een einde.

Ter markering van deze historische gebeurtenis heeft De Nederlandsche Bank besloten om ongeveer 110 miljoen gulden uit zijn verwachte winst over dit jaar te schenken aan de stichting Nationaal Fonds Kunstbezit voor de aankoop van Nederlandse kunstwerken. Dat is een mooi gebaar. In feite wordt financieel vermogen van de bank - die eigendom is van de Nederlandse staat en dus van alle Nederlanders - omgezet in kunstbezit. De samenleving profiteert zo op een bijzondere wijze van de winst die de bank dit jaar op haar beleggingen maakt.

Op grond van een afspraak die in 1974 is gemaakt tussen de toenmalige president van De Nederlandsche Bank Zijlstra en de toenmalige minister van Financiën Duisenberg - later Zijlstra's opvolger en inmiddels benoemd tot president van de ECB - wordt de winst van de centrale bank jaarlijks volgens een vaste formule verdeeld tussen een afdracht aan de staatskas en een toevoeging aan de bijzondere reserves. Deze reservepot is inmiddels zo goed gevuld, dat dit jaar van een storting wordt afgezien en het bedrag beschikbaar kan worden gesteld aan het Kunstfonds.

Opmerkelijk genoeg vult De Nederlandsche Bank hiermee een belofte in die koningin Beatrix vorig jaar in de troonrede deed om een aankoopfonds voor kunst op te richten. Er werd alleen geen begrotingspost bijgeleverd, met als gevolg dat de toenmalige staatssecretaris Nuis (Cultuur) met lege handen bleef zitten. Nu is er langs andere weg en buiten de rijksbegroting om een begin gemaakt met de financiering van zo'n fonds.

PARTICULIERE financiële instellingen houden zich al langer bezig met de aanleg van eigen kunstverzamelingen. Het is nieuw dat een centrale bank geld voor een cultureel doel beschikbaar stelt en daarmee een publieke kunstcollectie bevordert. Mogelijk inspireert het gebaar van De Nederlandsche Bank de particuliere banken tot navolging. Gezien de discrepantie tussen de astronomische prijzen die gangbaar zijn op de internationale kunstmarkten en de magere bedragjes die musea van de Nederlandse overheid toegewezen krijgen voor aankopen, is iedere verbetering van de financiële positie van het nationale kunstfonds welkom. Want ook al verdwijnt de gulden, er komt geen einde aan de maatschappelijke taak tot instandhouding van het nationale culturele erfgoed.