Berouw

“Weet je, soms ben ik liever dood, het is omdat ik mohammedaan ben, maar anders...”

Razendsnel snijdt hij met zijn hand langs zijn keel. Hij heeft net een DNA-test achter de rug. Volgens zijn advocaat ziet het er niet best uit. Acht jaar netto zit er al gauw in.

“Het is ook niet niks waarvoor je zit”, mompel ik. Hij heeft zijn Nederlandse vriendin op heterdaad met een ander in bed betrapt en haar in blinde woede in elkaar gebeukt.

“Ik was het niet van plan, echt niet. Had ik d'r maar vermoord, dat was veel beter geweest, beter dan...” Hij gebruikt een Frans woord dat ik niet versta.

“Dan wat?”

“Dan dit.” Hij tekent wat in de aarde. Streep voor streep krijgt zijn woord vorm. Het begint als wiel en eindigt als rolstoel. “Ook voor haar zou dood beter zijn geweest.”

Hij begint te janken. Korte hevige snikken. Ze gaan me door merg en been. Ik scherm hem zo goed mogelijk af van de rest. Op jankers hebben ze het hier niet begrepen. Je krijgt er al gauw gezeik mee. “Had ik d'r maar vermoord, nu zit ze haar hele leven daarin.” Hij wijst naar de rolstoel en snikt weer door.

Een tijdje zeggen we niks. Levensgroot hangt zijn vriendin tussen ons in. Ik heb de hele aanklacht de afgelopen weken gelezen. Van de eerste verwonding met een stomp voorwerp tot de laatste prik met een mes. Hij begreep er geen woord van en ik heb alles in mijn beste Frans voor hem moeten uitspellen. Hij is een illegale Senegalees en ik ben de enige die hij nog heeft. Een jaar heeft hij met haar samengewoond en toen is het gebeurd. In een tijdsbestek van tien minuten heeft hij zijn leven en dat van zijn vriendin naar de kloten geholpen.

“Ik houd nog steeds van d'r, geloof me, echt, geloof me nu maar.” Smekend kijkt hij me aan.

“Ik geloof je”, mompel ik.

“Jammer dat jullie de doodstraf niet kennen. Bij ons is het oog om oog, tand om tand, maar jullie zijn van die watjes.” Meewarig schudt hij zijn hoofd.

Voor de honderdste keer leg ik hem uit dat onze koningin en de andere bazen de dood van een ander niet op hun geweten willen hebben. Hij knikt, maar begrijpt het niet echt. Voor hem is het moord tegen moord, doodslag tegen doodslag.

“En ik dan? Moet ik mijn hele leven zo maar doorgaan met al dat bloed en die rolstoel.”

“En zij dan?” wil ik zeggen. Maar ik houd mijn mond. Zo goed ken ik hem nou ook weer niet. “Ja, dat moet, je hebt geen keus”, mompel ik.

“Zal ze komen? Wat denk je?” Het is een vraag die hem dag en nacht bezighoudt. Zal ze op de rechtszitting komen, zal ze in haar rolstoel naar binnen worden gereden? En wat moet hij dan doen? Al wekenlang slaapt hij er niet van. Hij heeft van alles gedaan om haar te bereiken. Maar alles even vergeefs. Alle post komt terug en haar nieuwe telefoonnummer is geheim.

Een paar dagen geleden heeft hij wel een dreigbrief van haar neef ontvangen. “We wachten op je, we maken je kapot, ons raak je niet kwijt, we zullen niet rusten voor je ook in een stoel zit...” Pagina's lang ging het maar door. De ene verwensing na de andere. Met een woordenboek van de bieb heb ik alle bedreigingen uitgespeld. Hij wilde ze allemaal horen en keek er niet van op. “Zo zou ik ook reageren”, zei hij aan het eind.

“Zou je er niet eens met de bajespsycholoog over praten?” Ik wijs naar de tekening.

“Wat krijgen we nou, ik ben geen watje.” Fel kijkt hij me aan. Ik ben te ver gegaan en verroer geen vin. Met een bajesklant die iemand in een rolstoel heeft geslagen, is het oppassen geblazen. Een woord of gebaar te veel kan tot de grootste ellende leiden. Langzaam komt hij tot bedaren.

“Waarom moest ze in godsnaam met een ander naar bed? En dat voor een vrouw? Wat een belediging ook.” Verbitterd schudt hij zijn hoofd. Ook die zin heb ik al ontelbare malen gehoord: een vrouw die vreemd gaat en de schande van zijn gekwetste trots.

Een tijdje staart hij in gedachten verzonken naar zijn vriendin, bukt zich en veegt haar langzaam weg.

“Had ik d'r maar vermoord”, mompelt hij bij de laatste veeg.