Meerderheid voor een dag

Het moet ongeveer het gevoel zijn dat ik had toen ik voor het eerst in India kwam. Een vreemde gewaarwording, een plotseling en maar enkele minuten durend besef: dat je in de meerderheid bent. Dat je lijkt op de anderen om je heen, bij hen hoort. Dat je niet met meer of minder interesse bekeken wordt, niet speciaal opvalt, opgaat in het geheel. Heel even heb je de illusie dat je op je gemak bent, maar dat gaat snel weer over.

Zo stel ik me voor dat een homo zich moet hebben gevoeld die vorige week op het Waterlooplein in Amsterdam was. Ineens omringd door lotgenoten. Vele honderden, duizenden, massa's mensen die volkomen ontspannen een biertje drinken in de zon. Mannen die gearmd rondwandelen, doodgewoon struinen, praten, lachen, naar een goochelaar of acrobaat kijken, doorlopen. Twee vrouwen zitten op een bankje, waarbij de ene haar been over die van de ander heeft gelegd. Het is niet het bankje in een gesloten huis met de gordijnen dicht, het is in het openbaar, in het midden van de stad.

Er is een podium met muzikanten. Een bekend deuntje waar sommigen loom op meedeinen. Meer is er niet. Eigenlijk valt er helemaal niets te beleven. De mensen zijn daar gewoon, met z'n allen, en ze doen niets anders dan met z'n allen bij elkaar te wezen.

Zou het een nieuw verschijnsel zijn? Een moderne behoefte van moderne mensen om gelijkgezinden op te zoeken, met het samenzijn als enig doel? Mensen die naar een voetbalstadion gaan zijn ook met elkaar, als voetballiefhebbers, maar ze hebben tenminste de smoes van het spelletje waar ze naar kijken. Concertbezoekers, museumbezoekers, natuurlijk willen ze samen zijn, elkaar hun hoge culturele gehalte en gevormdheid laten zien, maar ze hebben een alibi.

Maar Surinamers die naar het Kwakoefestival gaan? Het festival begon als een voetbaltoernooi, maar ik heb nooit van één Surinamer gehoord dat hij daarvoor ging. De jongens die in het midden van het grote veld achter een balletje aanrennen trekken niet de minste aandacht. De provisorische tentjes voor etenswaren bieden allemaal hetzelfde aan en de bezoekers kopen de stukjes bloedworst of varkensingewanden eerder uit verveling dan uit lust.

Kwamen boeren vroeger samen? Ik bedoel niet op de markt waar ze elkaar spullen verkopen, maar zomaar, op de nationale boerendag, om elkaar de handen te schudden. Of hoefsmeden? Jagers, kwakzalvers, genezers? Waren er vroeger seminars, symposia en congressen? Met een inleider die nauwelijks is te verstaan, gevolgd door een forumdiscussie waarin de televisietalkshow wordt nagespeeld en een borrel na afloop? Ik heb zelden meegemaakt dat men tijdens die borrel napraat over datgene wat de inleider te berde heeft gebracht. Zijn woorden zijn nooit nieuw, leerzaam of op een andere manier boeiend. Het is gewoon een vast ritueel waar men even doorheen moet bijten om terecht te komen bij het belangrijkste onderdeel van de dag: de borrel.

Van homo's kun je misschien zeggen dat er meer aan de hand is. Tot voor kort mochten ze er niet zijn. Ze werden geminacht, getreiterd en gediscrimineerd of openlijk vervolgd. Ze moesten zich verborgen houden. Een wezenlijk aspect van hun bestaan werd geweerd, uit de publieke sfeer verbannen. Ze hielden zich op in donkere ruimten, ontmoetten elkaar in het grootste geheim, beschouwden zichzelf als abnormaal of ongeneeslijk ziek. Dat ze nu op klaarlichte dag op het Waterlooplein gearmd kunnen wandelen is dus een politieke overwinning, en niet zo'n kleine ook. Het gearmd lopen is een statement, een boodschap, een eis.

Zo kun je het zien, maar zo is het niet. Althans niet meer, zeker niet in Amsterdam. De mensen die ooit gestreden hebben voor hun rechten en aan gewaagde demonstraties hebben meegedaan, roze zaterdagen, optochten, ludieke acties, die de hoon van de kleinburgerij over zich heen kregen, maar ten slotte toch tolerantie en zelfs respect wisten af te dwingen, die mensen zijn nu een flink stuk boven de veertig. En hen zag ik juist niet op het Waterlooplein.

Degenen die er wel waren leken mij geen boodschappers of politieke activisten. Daarvoor waren ze niet theatraal genoeg. Ze waren zich amper bewust van het bestaan van een heteromeerderheid, ze waren zelf in de meerderheid. Wat ze deden, deden ze voor zichzelf en niet voor buitenstaanders. Ze waren er voor elkaar, voor het samenzijn op zichzelf. En dat ze daar zouden zijn wegens de 'Gay Games', een sportevenement, is de verst gezochte smoes aller tijden.

Ik moet zeggen dat ik, terwijl ik rondliep op het Waterlooplein, ook iets begon te begrijpen van andere bijeenkomsten waar mensen een kenmerk, een eigenschap, een 'stuk van hun identiteit' met elkaar komen delen. Ik heb me altijd mateloos geërgerd aan het Kwakoefestival van creoolse Surinamers, zoals ik me ook ergerde aan de hindoestaanse variant in Den Haag die 'Milan' wordt genoemd, wat letterlijk samenkomst betekent, of de Pasar Malam van Indische migranten. De ergernis betrof het feit dat aan de mensen die van heinde en ver komen niets bijzonders wordt geboden. Geen goede muziek, geen verfijnd voedsel of werkelijk vermaak. Geen mooie lezing of pittige discussie. Geen poëzie, literatuur of toneel. Helemaal niets verheffends. Het is toch zonde, dacht ik altijd, dat je twintig-, dertig-, honderdduizend mensen bij elkaar krijgt en daar dan niets mee doet?

Wat ik niet begreep is dat het daar juist om gaat. Op 'identiteitssamenkomsten' hoeft en mag er niets gebeuren. De samenkomst is het hoofddoel, het opgaan in de massa is wat aantrekt, meerderheid zijn voor een dag, het geeft een soort voldoening. Morgen is de betovering verbroken, de illusie voorbij, omdat je altijd in de minderheid bent, en wel de kleinst mogelijke: die van jezelf.