Kamelen voor de desa

De Nederlandse consul Antonio Berüff observeerde in het begin van de vorige eeuw vanuit zijn standplaats Santa Cruz een levendige kamelenhandel op het nabijgelegen eiland Fuerteventura. Portugezen kochten daar kamelen voor de prijs van 60 piastres fortes (zo'n 160 gulden) om ze naar hun kolonie Angola te verschepen.

Berüff attendeerde in april 1840 Den Haag op deze gang van zaken. Was dit niet ook iets voor Elmina, de zieltogende Nederlandse vestiging aan de Westkust van Afrika? Daar heerste een vergelijkbaar klimaat en de kamelen zouden er goed gedijen. Kon men niet enkele kamelen overbrengen, bijvoorbeeld twee mannetjes en vier vrouwtjes om er daar mee verder te fokken? Berüff was een man met fantasie. Eerder al had hij op eigen initiatief wijnstokken naar Elmina verscheept.

Toen minister Baud van Koloniën over deze zaak werd geraadpleegd, reageerde hij zuinigjes. Waarom moesten er voor rekening van het gouvernement kamelen naar de Westkust van Afrika worden overgebracht? Er bestond daar toch helemaal geen behoefte aan lastdieren? Voor de geringe inlandse handelsbeweging waren de bestaande transportmiddelen toereikend. Geld uitgeven aan kamelen voor Elmina kwam Baud bedenkelijk voor.

Toch had het voorstel hem op een idee gebracht. Voor het fokken van kamelen kwam Indië veeleer in aanmerking. Op Java, waar het cultuurstelsel na 1830 de binnenlandse productie aanzienlijk had doen toenemen, bestond wel een grote behoefte aan extra lastdieren.

Niet naar Elmina, maar naar Java moesten volgens Baud kamelen worden gezonden. Schepen op weg naar Indië konden Tenerife aandoen en daar kamelen inladen voor de overtocht naar Java. Baud pakte de zaken meteen groots aan. Hij bepaalde het benodigde aantal op 10 mannetjes en 30 vrouwtjes.

Een grote bedrijvigheid op het departement volgde. Kamelen verschepen is geen sinecure - zeker niet zonder kennis van zaken. Steeds enkele kamelen in een groot aantal schepen of liever een groot aantal kamelen in enkele schepen? De Nederlandsche Handelsmaatschappij werd erbij gehaald. Deze pleitte voor vervoer in grotere aantallen.

Aan consul Berüff werd een lijst met praktische vraagpunten gezonden. Hoeveel hooi en hoeveel water hebben kamelen precies nodig? Moesten er verzorgers mee om de dieren te begeleiden? Met drie schepen ten slotte werden de veertig kamelen in april 1841 te Tenerife opgehaald. In de ruimen waren speciale stellingen aangebracht en vele balen stro waren aan boord genomen. Zes begeleiders waren aangetrokken, twee per schip. De overtocht verliep voorspoedig. In juli 1841 kwamen de eerste dieren in Batavia aan.

De kamelen hadden de lange zeereis opmerkelijk goed doorstaan. Zij kregen nog enige tijd rust om van de vermoeienissen te bekomen, maar toen brak het moment van werken aan. Zowel op het traject Batavia-Buitenzorg als Semarang-Oenarang werden enkele kamelen voor transport ingezet.

Na een paar experimenten werd echter duidelijk dat de kameel als transportmiddel op Java geen toekomst had. Met hun eigenaardige fysiek waren deze beesten in een verkeerde wereld terechtgekomen. De kameel kon in het geheel niet aarden op Java.

Hun draagkracht bleek ook veel geringer dan was verondersteld. Daardoor werden zij economisch onrendabel. In het vochtige klimaat van Java viel hun uithoudingsvermogen tegen, zeker bij zwaardere bepakking en over grotere afstand. Verder waren de kamelen ongeschikt voor de zachte en glibberige wegen waaraan Java in de natte moeson zo rijk was. Uiteindelijk bleek de voeding van de kamelen een kostbare aangelegenheid.

Na elk transport kwamen de kamelen volkomen uitgeput aan. Spoedig overleed een van de kamelen. Hij was de eerste in een trieste, lange reeks. In een paar jaar tijds zouden bijna alle kamelen doodgaan. Een mysterieuze leverziekte was veelal de oorzaak, waarschijnlijk als gevolg van het ongewone voedsel.

In september 1844 waren er ondanks alle toewijding nog maar vier kamelen in leven. Toen besloot de Indische regering in arren moede deze laatste beesten maar aan de vorsten van Soerakarta en Jogjakarta te schenken. Zij hadden interesse getoond en het mes sneed aan twee kanten. Men bespaarde zich de hoge kosten van het onderhoud en gunde beide vorsten een bezienswaardigheid.

Het experiment is een kostbare aangelegenheid geweest. En dat in een tijd dat de Nederlandse staat nagenoeg failliet was. Wel een goede indicatie van de hoge verwachtingen die minister Baud van deze onderneming had. Alleen al de kosten van aankoop en transport bedroegen totaal meer dan 44.000 gulden, ofwel meer dan 1.100 gulden per kameel.

Met het fokken van kamelen op Java is het nooit wat geworden. Maar de behoefte aan lastdieren bleef bestaan. Van alles heeft men bedacht om aan de trage ossenkar te ontsnappen. Ezels uit Nederland, olifanten uit India, zelfs lama's uit Peru. Maar de natuur bracht op dit punt geen uitkomst.

Pas de trein zou het vervoersprobleem weten op te lossen. Een omvangrijk spoorwegnet werd aangelegd en heeft behoord tot het betere koloniale erfdeel. Helaas niet de verschijning van een karavaan kamelen, voortsjokkend langs de vulkaanhellingen en de rijstvelden van Java.

    • Wouter Hugenholtz