Weemoed om wat dreigt te verdwijnen of al verdwenen is

Redacteur Max Paumen vertrekt na dertig jaar bij NRC Handelsblad. Voor zijn afscheidsverhaal maakte hij deze zomer een trip door Noord-Brabant, samen met de commissaris van de koningin, mr. Frank Houben.

SINT-MICHIELSGESTEL, 8 AUG. Populieren ruisen in de wind. Koeien grazen in de weilanden die omzoomd zijn door bossen. Dit is het coulissenlandschap op z'n mooist. Dit is het Brabant waarvan ik, van oorsprong Maastrichtenaar, in de loop der jaren ben gaan houden. De tocht voert door het natuurgebied De Mortelen tussen Oirschot en Best.

Op de vraag wat hij denkt heeft commissaris van de koningin mr. Frank Houben ('s-Gravenhage, 1939), met wie ik deze afscheidstrip maak, zo juist nog geantwoord: “Ik denk dat ik er toch wel trots op ben dat het er hier nog zo uitziet. Twintig, dertig jaar is er voor gevochten om dit als natuurgebied te behouden. Het heeft zelfs plannen voor de aanleg van een golfbaan kunnen doorstaan. Nu alle zwaar-weer-scenario's voorbij zijn, kun je zeggen dat het ergens op begint te lijken.”

Maar daar doemen in de verte reusachtige gebouwen op die somber afsteken tegen de lucht. Het zijn de hokken van een kippenfarm. Ook dít is Noord-Brabant anno 1998. Houden: “Het werd vroeger allemaal door de overheden toegelaten. Ik denk dat we nu in een tijd zijn beland dat we over dit soort zaken heel anders zijn gaan denken.”

Na dertig jaar redacteur te zijn geweest van NRC Handelsblad, waarvan het grootste deel als correspondent voor Zuid-Nederland, ga ik met de VUT. Het is voor mij dus tijd voor de afrekening, als journalist althans. Die zou ik in mijn eentje kunnen maken door mijn gedachten zachtjes te laten meestromen door de Dommel die achter mijn huis stroomt en waarop ik al werkende al die jaren uitzicht heb gehad. Je kunt ook op zoek gaan naar iemand die met liefde kan praten over deze provincie. Waarom dan niet terechtgekomen bij Frank Houben?

Die schrijft de begrippen milieu, kwaliteit en duurzaamheid met hoofdletters, maar die balanceert óók tussen de economie, die in zijn provincie groeit als nergens anders en de ecologie die door de economische groei steeds meer in de verdrukking raakt. Er is bij mijn weten geen andere commissaris die zich zo uitdrukkelijk met milieuvraagstukken bezighoudt.

Er is bovendien iets onbestemds dat ons bindt. Komt het doordat hij net als ik zijn jeugd in Maastricht heeft doorgebracht waar het gezin woonde toen vader Houben van 1946 tot 1963 gouverneur van Limburg was, en er bij dezelfde broeders van Maria Onbevlekte Ontvangenis de lagere school bezocht? Waarschijnlijker komt het doordat ik voor deze bescheiden overkomende man toch een zekere bewondering heb gekregen die ik vaak voor andere gezagsdragers, ijdel als ze zijn, niet zo gemakkelijk kon opbrengen, daar gelaten of het voor een journalist raadzaam is om er coryfeeën op na te houden. Maar vooruit, eentje mag je er toch wel hebben.

Bij zijn aantreden in 1987 als opvolger van de luidruchtige Dries van Agt zei hij: “Ik ben een heel ander figuur dan Van Agt, ik ben in de eerste plaats mezelf.” In de jaren dat hij commissaris is, ontpopt hij zich als iemand met hart voor alles wat in de verdrukking dreigt te raken. Dat zijn behalve het milieu ook asielzoekers, vluchtelingen, mensen in achterstandswijken maar ook door de varkenspest geplaagde boeren. Die zoekt hij op of hij komt voor ze op in woord en geschrift.

De voormalige burgemeester van Etten-Leur groeit langzaam uit tot de stille kracht die de Brabantse geesten kneedt. Of hij als commissaris eigenlijk wat te vertellen heeft, beperkt als dit ambt is in het uitmaken van beleid, vraag ik hem. “Ik probeer een bepaalde koers uit te zetten en anderen ertoe te bewegen daarin mee te gaan. Mijn mede-bestuurders weten donders goed dat ik de ecologie centraal in het beleid wil hebben”, antwoordt hij.

Daarvoor is het dan ook de hoogste tijd. Brabantse wegen, bedrijfsterreinen en bouwlocaties lopen in versneld tempo vol. Water, bodem en lucht zijn verontreinigd met nitraat, fosfaat en ammoniak die hoofdzakelijk afkomstig zijn van de intensieve veehouderij. In een ouder wezen zoals het mijne ligt - vrij naar Alice Nahon - weemoed om wat dreigt te verdwijnen of al verdwenen is: de scheef gezakte boerderij langs een zandweg, de bloeiende met een enkele eik begroeide heide, het varken dat wroet in de modder op een erf. In het Brabant van nu ziet men varkens nog maar zelden buiten; in brons gegoten voor het provinciehuis in 's-Hertogenbosch of als ze, op weg naar de slachterij, met hun snoeten de laatste frisse lucht opsnuiven door de latten van de veewagen.

Houben maant mij tot werkelijkheidszin als hij zegt: “De tijd van de wuivende korenvelden, van het trekpaard is echt voorbij. Jij denkt misschien zo traditioneel omdat je je bezorgd afvraagt of we nog in staat zullen zijn tot een harmoniemodel te komen. Zo lang we de kroonjuwelen als schoon water, lucht, licht en ruimte, achteloos blijven weggooien gaan we de verkeerde kant op. Maar deze provincie heeft genoeg dynamiek en kracht om die problemen aan te pakken en ons een voorsprong te geven op andere provincies en dan komen die elementen waarvan jij bang bent dat ze voor goed verdwenen zijn weer terug, zij het misschien in aan andere vorm.”

Uit zijn koffertje haalt hij een kaart. Met zwarte blokjes staan er de varkensbedrijven op aangegeven. Vooral in het midden, het oosten en het zuid-oosten zijn het er zo veel dat de kaart met inkt lijkt te zijn volgelopen. Doordat de volksvertegenwoordiging heeft besloten dat 20 tot 25 procent van de varkensstapel af moet, komt een groot deel van deze bedrijfsgebouwen vrij. “Omdat we het niet kunnen hebben dat ze daarna worden ingevuld door andere industriele bedrijvigheid of als opslagplaatsen gaan dienst doen, moeten ze worden afgebroken en dat kost veel geld. De nieuwe minister van Landbouw zal er miljarden guldens voor moeten uittrekken. Gebeurt dat niet, dan zal de varkenssector het buitengewoon moeilijk gaan krijgen.”

In het Eindhovense Evoluon spraken zojuist de Brabantse Statenleden over de toekomst. De focus staat gericht op het jaar 2050. In het Brabant Manifest, dat aan de basis ligt van deze discussie en waarvan Houben de grote inspirator is, heeft een aantal deskundigen nagedacht over het Brabant dat in het verschiet ligt. Voor Houben zal in 2050 boven zijn provincie “een schitterende sterrenhemel” staan, zo schitterend als de Brabantse zoon Vincent van Gogh hem schilderde. “Het is te gemakkelijk om de autowegen te vervijfvoudigen, om de aanplakkingen aan dorpen van steeds weer nieuwe woonwijken door te laten gaan, om de monocultuur van bedrijven die zich aaneenrijgen langs de snelweg te blijven tolereren. Dat zijn de resultaten van luie planologie die ik verfoei.”

Houben heeft aan de Statenleden gevraagd: “Blijven we platgetreden paden bewandelen of kiezen we voor moed, creativiteit en duurzaamheid?” Uitgedaagd door gespreksleider Marcel van Dam legt de meerderheid van de Staten aan het slot van de dag het hoofd op het hakblok door te concluderen dat het blijvend veiligstellen van schoon drinkwater bovengeschikt aan alles is; zelfs als mocht blijken dat de herstructurering van de varkenshouderij daardoor nog strikter moet worden uitgevoerd. Als we door Brabant rijden, zegt hij: “De Staten hebben zich nog nooit zo duidelijk uitgesproken. Deze provincie staat op het punt dicht te slibben. We hebben bijvoorbeeld 600 miljoen gulden nodig voor de aanleg van een hoogwaardig fietspadennet zodat het woon-werkverkeer met 50 procent kan worden teruggebracht. Dat is echt bittere noodzaak en niet het waanidee van een idealist.”

Het zal tijdens onze excursie niet alleen maar somberheid zijn. Ook gaat hij op zoek naar wat hij noemt “signalen van hoop”. Dus staan er op het programma de biologische melkveehouderij, de Hemelrijkse Hoeve van boer en boerin Martens in Biezenmortel. Martens is een Duinboer. Dat wil zeggen dat hij zich wegens de aanwezigheid in de nabijheid van de Loonse en Drunense Duinen beperkingen moet opleggen onder meer met het gebruik van kunstmest en onkruidbestrijdingsmiddelen. Om de daardoor misgelopen inkomsten terug te verdienen is hij een plattelandsondernemer geworden, dat wil zeggen dat hij tegen vergoeding de natuur onderhoudt, een mini-camping er op nahoudt, voorlichting aan andere boeren en geïnteresseerden geeft en voor zijn melk wat extra centen mag vragen. Verder staan er op het programma de biologische melkfabriek De Zwaluw in Udenhout, een door Natuurmonumenten terwille van de natuurontwikkeling opgekochte melkveehouderij in Boxtel en het herstel van de meanders in de Keersop, een beek in de Kempen. Het zijn projecten die vele miljoenen guldens kosten waarvan een belangrijk deel door de provincie wordt betaald. Houben: “Premier Kok riep op om tot het groene poldermodel te komen. Wij in Brabant hebben al een tijd lang zo'n model, omdat we samen met de milieuorganisaties en de landbouw om de tafel zitten en zorgen dat het soort ontwikkelingen als bij boer Martens kan plaatsvinden. Hier wordt de betrokkenheid gemobiliseerd van mensen en niet alleen van tegenstanders zoals de Wet ruimtelijke ordening te vaak doet.”

Ook wil hij mij tijdens de tocht laten zien hoe de provincie de Brabantse identiteit kan bewaren. De Brabantse identiteit, wat is dat? Is dat de stereotypering van de goej kamer, van de gemoedelijkheid en de gastvrijheid, het Bourgondische, zoals later die dag voorzitter J. Baartmans van het Brabants Bureau voor Toerisme zegt als we haar in de Efteling ontmoeten? Met die kwalificaties moet, aldus Baartmans, meer worden gepronkt. Houben: “Identiteit is óók het vele buitengebied voor landbouw en natuur dat je moet zien te bewaren.”

De lunch wordt gebruikt in de herenkamer van 't Groot Duyfhuis in Liempde met watergraaf A. Segers van het waterschap De Dommel, C. Molle van Natuurmonumenten en directeur J. Baan van het Brabants Landschap, dat dit buiten heeft gekocht. In de boerderij, die onderdeel is van 't Duyfhuis en die bijna arcadisch ligt op een plek waar de Dommel nog kronkelt als vanouds, staat de oude Jefke, die hier veertig koeien houdt, ter verwelkoming klaar. Hier ontmoeten verleden en heden elkaar uitdrukkelijk. Segers zegt er: “Het negatieve beeld dat in het algemeen bestaat over de boeren dient nodig te worden bijgesteld want Brabantse boeren zijn bijzonder intelligent. Ze zijn immers gaan beseffen dat ze, als ze de grond nu zwaar bemesten, er over tien jaar bij eventuele verkoop geen cent meer voor krijgen.”

Verder gaat de reis naar varkenshouder Verhoeven in Valkenswaard die een milieukeur mag voeren omdat het houden van de varkens ook volgens de stichting Natuur en Milieu en de Consumentenbond aan strikte milieu- en diereisen voldoet. Het gesprek vindt plaats aan de keukentafel, een plek waar Houben zich ook tijdens de voorbije varkenspest vertoonde.

In de auto op weg naar de Efteling waar het afvalwater wordt gezuiverd met helofyten op een schaal die nog nergens anders in Nederland bestaat (50 kubieke meter per uur door anderhalve hectare riet), spreekt Houben zijn bezorgdheid uit: “We moeten er voor oppassen dat door de gigantische investeringen die al die kortingsmaatregelen met zich meebrengen, de dynamiek uit de varkenssector verdwijnt. Als dat gebeurt kunnen al die milieumaatregelen niet bekostigd worden.”

In de stal van Verhoeven is ook hem niet ontgaan dat de zeugen onder een stalen frame liggen, zodat ze niet rechtop kunnen staan, want dan zouden ze bij het zich weer neervlijen op hun jongen terecht kunnen komen. Ik zeg: “Als ik in zo'n stal, ben dan bekruipt me, ook al ben ik overtuigd van de beste bedoelingen van de meeste boeren, toch altijd het gevoel dat alles meer is gericht op productie dan op het welzijn van de dieren.”

Houben: “Vergeet niet dat we met z'n allen verantwoordelijk zijn voor deze situaties, maar als je zegt dat er veel beesten in een enge ruimte zitten, dan moet ik erkennen dat het inderdaad die indruk wekt.”