Roestplekken op je zomerjurk

Wil je nooit eens een tuin? Wat een vraag. Nee, natuurlijk wil ik nooit een tuin. Alleen als het een heemse tuin mocht zijn, in een wereld zonder brandnetels. Als het geen enkele gedachte kostte, ja, dan zou ik vrede hebben met zoiets achter mijn keukendeur.

De tuinvraag wordt vaak gesteld. Er zijn veel tuiniers, blijkt me steeds, en ze vallen aan uit onverwachte hoeken. Ze komen undercover op visite, klimmen bij mij de trap op, nemen plaats. We praten, alles gaat goed. Vroeg of later, te midden van de gezelligheid, kunnen ze het zelden laten. Soms na een kleine inleiding (“Hoe lang woon je hier nou?”), soms bij herhaling, is hij er. De tuinvraag. “Wil je nou nooit een tuin?”

Ik moet me verdedigen. Ik hou van dit huis en ik hoef geen tuin, echt niet. De tuiniers vallen van hun stoel, krabbelen op en krijgen sluwe wenkbrauwen. Want geen tuin hoeven, dat mag niet waar zijn.

We praten enige tijd langs elkaar heen. Ten slotte wordt mijn antwoord door de vrager voorzien van het trefwoord 'lui'. Ten onrechte, maar de tuiniers kunnen het oprecht niet begrijpen. Ze spreken me tegen voor mijn eigen bestwil. Want ze gunnen me mijn geluk zo. Niet verhuizen, maar een volkstuin, dan. Nee, echt niet. Want het is werkelijk waar: ik denk niet eens aan al het werk dat een tuin kost, ik heb ook geen hekel aan een tuin, maar een tuin kan me niet schelen. Iets doen in een tuin laat me onverschillig. Het komt niet bij me op om een hark te pakken, of iets in de grond te stoppen dan wel eruit te trekken. Voor de tuin zonder hek eromheen, de natuur, geldt hetzelfde. Ik heb er niets op tegen, maar ik zoek hem ook niet op.

De tuiniers kijken rond. Kamerplanten, zelfs die zijn er niet, hier. Zo'n twintig jaar geleden had ik ze wel. Toen ik op mezelf ging wonen, kreeg ik ze cadeau. Een stijf boompje: kamerlinde. Een overbloezend gedoetje dat 'slaapkamergeluk' heette. Een varen. Iets klimmerigs om langs de boekenplanken te leiden en iets wat Kindje-op-moeders-schoot heette. Ik zie ze nu zelden meer ergens, blijkbaar zijn er ook op dat gebied trends en waren die plantjes destijds en vogue. Ik kreeg ook een papyrus, die moest standaard met zijn voeten in een laag water. Ik bediende hem braaf en hij kreeg na een week gele punten. Steeds hooiiger werd hij, toch was hij lange tijd de enige die bleef leven.

De andere planten was ik ook niet slecht gezind. Het zijn levende wezens, dus die verzorg je. Maar ze gingen altijd dood. Aanvankelijk verving ik ze door nieuwe exemplaren van dezelfde soort, gaandeweg begreep ik dat vensterbanken ook op andere manieren nuttig kunnen zijn. Toen ik eenmaal had ervaren dat je ook dolgelukkig kunt worden zonder planten en dat bossen bloemen veel overzichtelijker zijn, heb ik het er bij laten zitten. Nooit gemist, nooit meer over nagedacht.

Waren kamerplanten iets wat iedereen vanzelf toeviel, een tuin kwam bij ons in de buurt weinig voor. Er waren balkons, met afrikaantjes en geraniums, rood en roze. Een enkeling woonde in een benedenhuis. Daar was dus vanzelf een tuin, maar die viel niet op. Een strook buitenlucht was het, waar je bij zonnig weer inging. Met gras en grint en achterin struiken: donkergroen op hoge poten, in petticoats van spinneweb en spint. Er groeiden ook uitklapstoelen in die tuinen, met schroeven die roestplekken op je zomerjurk achterlieten. Aan de tuin kleefde mannenplicht, vergelijkbaar met de vuilnisbak buiten zetten en aardappelen halen. Een tuin, dat was moeders die je tegen vaders hoorde zeggen, wanneer ga je nou eindelijk dat gras eens maaien?

Ongetwijfeld heeft een jeugd in de stad veroorzaakt dat een tuin voor mij iets is om, bij andere mensen, in te zitten. Een vergissing, ik weet het inmiddels: mensen met tuinen zitten daar zelden in.

Ik heb een vriendin met een volkstuin. Ze zegt steeds: kom nou toch kijken, mijn tuin is zó mooi nu. Haar trots en hartstocht ontroeren me, en ook het feit dat ze zich niet laat stuiten door mijn lege blik bij haar gedetailleerde verhalen over de aard van planten, de namen van moeilijk verkrijgbare, want door haar alleen begeerde bloemen en blijkbaar irritante verschijnselen als insecten en konijnen.

Een keer nam ze me mee naar een kwekerij. Verliefd scharrelde ze rond, werd niet moe me te laten delen in wat haar trof, en ik voelde me steeds misplaatster. Ik wist niet wat ik moest doen of denken bij die regimenten van groeisels. Het woord 'afrikaantje' viel uit mijn mond. Dat haar dat schokte, schokte mij weer.

Heel af en toe breng ik het op en fiets ik naar het complex met 'lust' in de naam. De vriendin heeft gelijk. Deze weelde laat mij niet koud. Ruimte voor gesprek hebben we niet. Ik zit, zij niet. Er is veel te veel te doen. Zij werkt zich in het zweet en intussen bekijk ik haar tuin zoals ik in een museum naar een mooi schilderij kijk. Ik huiver van het visioen dat bij mij naar binnen valt en lever me uit. Ik geniet van kleuren en vormen, van compositie en sfeer. Maar zo min als in het museum komt in de tuin van mijn vriendin de gedachte op om zelf ook eens te proberen om zoiets tot stand te brengen.

Wil je nou echt nooit eens een tuin?

Maar ik hèb een tuin. Ga maar mee naar mijn achterbalkon. Ziedaar mijn tuin. Met mijn tuinvrouw, Maartje van beneden. Ze heeft de mooiste geelgouden-bloemetjesboom die er bestaat. Enkele dagen per jaar is hij in volle bloei en anders dan zij kijk ik er niet tegenop maar recht erin. Maartje is altijd voor me bezig. Bloemen laat ze bloeien in een magisch patroon, zo te zien gerangschikt naar steelhoogte en kleur. Ik weet geen enkele naam, behalve van de lieve madeliefjes, maar daar heeft zij het nou net niet zo op, krijg ik de indruk. Kleuren, vormen, lijnen, zij zorgt ervoor. En ik ben blij als ik haar heel af en toe ook eens in mijn tuin zie zitten.