Ontmenschte mishandelingen

DE BIJLMER: verlaten parkeerterreinen, groen, een metrostation bij de Gaasperplas en het geluid van vliegtuigen. Dini Helmers (49) woont samen met een jurist, vier hoog, in een opgeruimde flatwoning. Ze draagt een bril, heeft kort, achterover gekamd haar en praat enthousiast met een licht Amsterdams accent.

Haar promotie gaat over huwelijksproblemen in 18de-eeuws Amsterdam. Ze koos voor het tijdvak 1753-1810: eerdere bronnen zijn verbrand en in 1810 werd de burgerlijke stand ingevoerd. Ze heeft in totaal 3.550 zaken gevonden. Het gaat over gestrande huwelijken door scheiding, meestal vanwege overspel, huiskrakelen of kwaadwillige verlating, opsluiting op verzoek (bij dronkenschap en geld verbrassen) of desnoods moord. Helmers: “Ik ga in 2000 of 2001 promoveren. Mijn onderzoek startte in 1988. Ik deed ook tien jaar over de MO. De opzet van het boek ligt al klaar. Eerst dacht ik: word ik een beter mens van promoveren? Maar het begon langzaam toch wel te kriebelen.”

Ze werd in Amsterdam geboren en heeft twee jongere broers. Haar vader was etaleur, haar moeder dochter van een Zeeuwse landarbeider: “Mijn ouders hebben me gestimuleerd zelfstandig je werk te doen: het komt je niet aanwaaien. Daardoor leer je vastbijten, doordouwen. Mijn moeder zei: 'Als er problemen komen, neem ik de kinderen mee. Ik heb de man niet nodig.' Dan schrok ik: Goh, ze gaan uit elkaar. Misschien vandaar... Maar het was altijd pais en vree thuis.”

Ze ging naar de lagere school en de MMS, in de vakanties werkte ze in een bejaardentehuis: “Mijn oom was er directeur.” Na de sociale academie ging ze in de gezinszorg bij Amsterdam Thuiszorg werken: “Dat hield ik amper twee jaar uit. Ik ben iemand van aanpakken, opstropen die mouwen. Discussies of je iemand wel mag helpen, zoals die in die jaren speelden, bevielen me niet. Ik pakte mijn oude liefde weer op: ik kocht en las al geschiedenisboeken toen ik dertien was. Ik wilde geen geklier meer met een beurs. Ik ging bij Amsterdam Thuiszorg werken als secretaresse en later als boekhouder, drie dagen in de week. Door de combinatie sociale academie en MO-B kan ik zonder doctoraal promoveren. Ik weet precies wat ik wil. Iemand moet niet 'dit' zeggen of er komt een verhaal, maar ik ben nog niet klaar.”

We lopen naar haar kleine, helderwitte werkkamer met boekenkasten, een laptop - 'voor in het archief' - en een gewone computer: “Mijn vriend en ik hebben nu ieder een eigen werkhok. Tijdens de studie ging het samen prima, maar we zijn verhuisd om twee werkkamers te hebben: je loopt heen en weer, mompelt en trekt boeken uit de kast. Ik ben ook graag alleen. Ik werk minstens twintig uur per week aan de promotie. Op vrijdag zit ik in het archief. Het grove werk is achter de rug; nu zoek ik selectief.” Aan de muur hangt een plattegrond van Amsterdam uit 1724 en er zijn briefkaarten met vrouwenportretten opgeprikt: George Sand, Aagje Deken, Hendrikje Stoffels. Op ordners staan de jaartallen 1769, 1786 en 1804: “Die drie jaren ga ik de diepte in, probeer ik alles boven water te halen.”

“Mijn ouders en familie zullen nu wel het idee hebben dat ik hen opzij zet. Ikzelf heb dat gevoel niet. Ik zwem niet meer en fiets alleen nog op de hometrainer. Ik lees romans, speel af en toe piano, correspondeer met vrienden en ben bestuurslid van de Stichting Vrouwengeschiedenis van de Vroegmoderne Tijd. Vroeger zat ik ook nog in de Rooie vrouwen, afdeling Bijlmer. Een rustiger leven zou weleens prettig zijn. Mijn vriend komt nogal eens laat thuis van zijn werk, maar we eten altijd samen. Hij heeft rechten gestudeerd; ik heb veel steun van hem gehad om juridische termen duidelijk te krijgen. Hij kan scherp formuleren en ontziet me niet.”

Zijn er persoonlijke motieven voor de keuze van dit onderwerp? “Nee, het is puur academisch. Ik woon sinds mijn 22ste samen met dezelfde man. Het is een gebied waar ik man en vrouw in een probleemsituatie tegenkom, zodat ik kan kijken naar de machtsverdeling en de mogelijkheden van vrouwen in die tijd.”

Over het nut van haar proefschrift: “Ik kan vrouwen laten zien dat het niet altijd geweest is zoals nu. Je zit aan van alles en nog wat vast, maar er is ook van alles mogelijk. Dat geeft ruimte en troost.”

Een week later ontmoeten we elkaar in het Amsterdams Stadsarchief, een gebouw met een trapgevel en een trappenbordes langs de Amsteldijk. We zetten ons in de studiezaal met kasten vol kaartsystemen en jaarboeken aan tafel 84, haar vaste plek. Dini praat op gedempte toon: “Mijn bronnen komen vooral uit dit archief; ook wel uit de Hof van Holland, een beroepsinstantie destijds in Den Haag. Die stukken zijn nu ondergebracht in het Rijksarchief; soms een heel pak omtrent één scheidingszaak. In de notarisakten hier, 2,5 kilometer archief, lees je dat mensen bot bovenop elkaar leefden, dat men elkaar vaak hielp en hoe een vrouw even haar bed verhuurde om overspel te laten plegen. Je moest geen kiespijn krijgen, maar vrouwen hadden wel vaak een eigen inkomen. Vrouwen waren niet zo afhankelijk als bijvoorbeeld in de jaren vijftig.”

Voor haar ligt een notarieel protocolboek uit 1804, veertig centimeter hoog, in een band met een grijsgelige perkamenten omslag: “Scheiden deed je voor de Bank van Eerste Aanleg, onze huidige rechtbank. Bij scheiding van tafel en bed mocht je niet hertrouwen. Zo'n proces werd veelal voorgekookt door de notaris. Daarom kun je in notariële akten zoveel gegevens vinden.” Ze moet gaan staan om een passage voor te lezen uit zaak 109, die op 14 juli speelt tussen Christiaan Bosman en Helena Meyeraan bij notaris Marius van Ommeren: “...sedert enige jaren herwaarts verregaande dissentiën en onenigheeden zijn gerezen die van tijd tot tijd zodanig zijn toegenomen dat de samenwoning van comparanten ondraaglijk en ondoenlijk is geworden”.

Dini: “Twee maanden na een echtscheiding was men vaak alweer getrouwd. Man en vrouw verdienden ieder te weinig om alleen te wonen. Op samenwonen stond een boete of zelfs verbanning uit de stad. Zo kom je achter een stukje Amsterdams leven in die tijd. De mentaliteits-historische kant vind ik interessant; de relatie tussen mannen en vrouwen. Het is een beschrijvende, historische studie; niet theorievormend.”