Interculturele samenleving

Er heeft zich een nieuw politiek correct begrip aangediend: 'Nederland als interculturele samenleving'. Het moet de plaats innemen van het gebruikelijke 'multiculturele'. Cultuur in dit geval in de antropologische betekenis: de waarden en tradities die binnen een etnische groepering tot ontwikkeling zijn gekomen. Zoals alle politiek correcte begrippen is ook hier niet zo zeer sprake van werkelijkheid als wel van ideologie. Burgers zouden zonder aanzien van hun culturele achtergrond door elkaar heen moeten leven. Een multiculturele samenlevingsvorm waarbij men al naar gelang de gevoelde voorkeur zich mengt, dan wel liever voornamelijk onder elkaar leeft, wordt te vrijblijvend gevonden.

Afgezien van de vraag of het interculturele wel zo ideaal is, is het wel mogelijk? Is een vriendelijke onverschilligheid ten opzichte van anders-georiënteerden niet al het hoogst haalbare? Tenzij je op louter symbolisch niveau blijft, zoals president Mandela, die blijkens de berichten zijn recente huwelijk niet alleen liet 'bezegelen' door de Methodistenkerk, maar ook door vertegenwoordigers van islam, hindoeïsme en jodendom.

Maar aan symbolisme alleen heb je niet veel, het komt aan op het dagelijks leven. Volgens de correcte regels moeten de media intercultureel worden, de recreatieparken, de podiumkunsten en ook het onderwijs.

Nadenkend over de betekenis van het laatste stuit men al dadelijk op een praktisch probleem. Er zijn verspreid over Nederlandse klassen wel zo'n dertig etnische groeperingen te onderkennen. Hoe wil men leerlingen een integraal begrip voor die hele culturele waaier bijbrengen? Dat wil zeggen inzicht in het vergelijkbare en daardoor gelijkwaardige van de verschillende uitingsvormen? Het kan toch niet de bedoeling zijn alleen de grotere etnische minderheden, zoals de Turkse, Antilliaanse of Marokkaanse, aan bod te laten komen. Dat zou immers een nieuwe discriminatie opleveren ten aanzien van bijvoorbeeld de leerlingen uit Ghana, Irak en Haïti.

Er is bovendien niet alleen sprake van confrontatie tussen een binnenkomende cultuur en de ontvangende, maar ook van confrontatie tussen allochtonen onderling. Het gaat er immers niet alleen om dat allochtonen met autochtonen kunnen praten, maar net zo belangrijk is de mogelijke communicatie tussen diverse allochtonen. Dat wordt, geloof ik, wel eens uit het oog verloren in het enthousiasme om een echte smeltkroes te willen zijn, waarin de Nederlandse cultuur niet de boventoon mag voeren.

Het zou daarom beter zijn het interculturele in het onderwijs heel bescheiden op te vatten en de eenheid in verscheidenheid niet te zoeken in de achtergronden van de leerlingen, maar in hun huidige leefsituatie. In wat zij in het hier en nu gemeen hebben. Dan hebben ze in ieder geval iets waarover ze allemaal mee kunnen praten. Kennis van de eigen taal en cultuur kan worden overgelaten aan de soevereiniteit van de eigen kring. Te meer daar er grote verschillen bestaan in de afstand van allochtone leerlingen tot hun cultuur van herkomst.

Dat gemeenschappelijke is het leven in dit land waar zij vanuit verschillende windrichtingen en uit verschillende motieven terecht zijn gekomen. Wat is dit voor land? Hoe is het in de loop der tijd geworden tot wat het nu is? Dit is het terrein van het culturele erfgoed en de geschiedenis. Daar hoort uiteraard ook de taal bij en kennis van de huidige staatsinrichting. Onttrokken aan het moeras. Zeggenschap van den beginne bij de burgerij en geen noemenswaardige adel. Klein land met grote koloniën. Sombere protestanten tegenover vrolijke katholieken. Enzovoort enzovoort. Onderwijs is hiervoor de koninklijke weg. Daar gaan alle jonge allochtonen en autochtonen gezamelijk naartoe. Jos van der Lans en Herman Vuijsje kunnen er vast een beeldend boek voor schrijven. Ze deden dat onlangs met Lage Landen Hoge Sprongen immers ook over de laatste honderd jaar Nederland.

Een dergelijke vorm van intercultureel onderwijs zou een zekere ondersteuning kunnen zijn van een nieuwe saamhorigheid.

Op het eerste gezicht klinkt dit misschien een beetje eng nationalistisch. Sociaal pedagoog Van Gent beschrijft in zijn recente afscheidsrede een scène uit Triumph des Willens van Leni Riefenstahl: “Het opgelegde eenheidsstreven (curs. RK) komt wellicht het meest pregnant tot uiting in het samentreffen op het Zeppelinveld, waar leden van de Arbeidsdienst - symbool van het einde der massale werkloosheid en de start van economisch herstel - elkaar hun diverse plaatsen van herkomst toeroepen, eensgezind voor de Führer, volk en vaderland.” Zo opgelegd moet het dus niet. En het bijbrengen van een open, democratische levenshouding hoort uiteraard mede tot de taak van de school. Maar zo geregisseerd hoeft het ook niet. Het kan allemaal gewoner en minder beladen. Het sociale en culturele erfgoed is er voor de mensen hier en nu in het land, niet voor hen wier voorouders het bewoonden. Anders gezegd, mijn betrokkenheid bij de bloei van de Gouden Eeuw is net zo nul komma nul als die van een twaalfjarige Turkse jongen en net zo min als hij mag ik er enige zelfvoldaanheid aan ontlenen. Wat ons intercultureel bindt is dat we heden ten dage nog steeds leven te midden van de na-effecten. Al was het maar dat we allebei kunnen begrijpen waarom kruidnagel en nootmuskaat hier in alle uithoeken te koop zijn.

    • Rita Kohnstamm