In Wall Street

Hoe rijker iemand is, hoe meer verstand hem wordt toegeschreven door de mensen die minder geld hebben. Geld is de maatstaf van het succes in deze maatschappij van het vrije ondernemerschap. Hoe meer geld iemand heeft, hoe dieper dus zijn inzicht in de economische processen. Vrijwel algemeen wordt aangenomen dat de rijksten ook de slimsten zijn.

Dat zeg ik niet; het is een waarneming van John Kenneth Galbraith, opgeschreven in zijn essay A Short History of Financial Euphoria; eigenlijk meer een onderhoudend verhaal over hebzucht en domheid en hoe die tot niets goeds leiden. Het is verschenen in 1990, daarna vaak herdrukt, tot 1993 toen hij er een nieuw voorwoord in heeft geschreven. Toen ongeveer is de boom begonnen, en niemand wilde zijn plezier met deze lectuur bederven.

Beurscrash en crisis zijn van alle tijden, zegt Galbraith. Hij begint in Holland, in 1636 bij de tulpenrazernij en hij eindigt in New York, 1987, en hij voorspelt dat het nooit zal eindigen, althans niet zolang de mensen in financiële zaken zo kort van memorie zijn. Bovendien, als de speculatie eenmaal is begonnen, heeft iedereen er belang bij dat de algemene vreugde zo lang mogelijk zal duren. Wie waarschuwt bederft het spel dat geen verliezers heeft. Zo ontstaan die fantastische schouwspelen waarbij degenen die ik, ondanks Galbraith, toch voor de snuggersten blijf aanzien praktisch onder hun geld bezwijken.

Op de beurs, in zaken van koersen en aandelen ben ik een leek, en dat wil ik graag blijven. Maar ik kan wel begrijpen dat zoveel mensen aan het spel verslingerd raken. Hoe kinderlijk eenvoudig lijkt het. Je koopt iets, je hoeft er niet naar om te kijken, het vergt geen onderhoud, en na zekere tijd verkoop je het weer want dan is het tweemaal zoveel waard; of je verkoopt het nog niet omdat je zeker weet dat het tienmaal zoveel waard zal worden. Geen wonder dat steeds meer mensen het ook gaan doen, dat ze wild van geestdrift worden. Niet alleen dit, maar dat groeiend aantal wordt ook steeds wilder. Iedereen rijk.

Dan wordt ontdekt dat de dingen waarvan iedereen dacht dat ze twee-, drie-, vier-, enzovoortmaal zoveel waard waren, door oorzaken die niemand helemaal begrijpt, honderd keer minder waard zijn. Opeens zijn ze allemaal armer dan ze ooit zijn geweest. Degenen die er het ergst aan toe zijn springen van een wolkenkrabber, de rest gaat weer gewoon aan het werk als er tenminste werk te vinden is.

In een ander boek heeft Galbraith de geschiedenis van 1929 beschreven: The Great Crash 1929. Uit de statistiek blijkt dat de zelfmoordgolf een fabeltje is, ontwikkeld door de Britse boulevardpers. Toen al. Eén speculant sprong van de Brooklyn Bridge in de East River, maar eenmaal in het water bedacht hij zich en liet zich opvissen. Een beroemd bankier, J.J. Riordan, schoot zich dood, maar dat had niets met de beurs te maken. Pas in de jaren daarna, toen de depressie niet te keren viel, benamen zich meer mensen het leven.

Speculatie die de bedoelde resultaten heeft, brengt de mensen al in een staat van grote opwinding. Erger wordt het als de omslag in zicht komt, of lijkt te komen. Niemand weet het zeker en daarom neemt iedereen het zekere (of wat er het dichtst bij lijkt te komen) voor het onzekere. En nu gaat 'het nieuws' - wat de media ons onder deze verzamelnaam vertellen - pas goed zijn merkwaardige rol spelen.

Als er een poosje door veel mensen veel geld wordt verdiend, is dat in het begin groot nieuws. Maar het is meer van hetzelfde groot nieuws, en bovendien goed nieuws. De eigenschap van goed nieuws is nu eenmaal dat het snel ophoudt, nieuws te zijn. Alleen slecht nieuws is nieuws van hoge kwaliteit. Slecht nieuws plant zich sneller voort, en terwijl het dat doet is er groter kans dat het steeds slechter wordt. Tegelijkertijd wordt het publiek nog goedgeloviger. Het krijgt de eigenaardige smaak van het slechte nieuws te pakken. Zo kan dan uit een minuscuul feitje het gerucht groeien, dat kan weer - zoals het spraakgebruik het mooi uitdrukt - wild worden, en aan het einde van de wilde geruchten is de paniek.

Aan het begin van deze week leek het even alsof de geruchten uit de financiële wereld op het punt stonden, wild te worden. Ik werd aangestoken, luisterde ieder uur naar de radio om het laatste nieuws over de koersen te horen (en en passant misschien nog iets over Monica, Bill, het DNA-vraagstuk op te steken). De ochtend na de dinsdag van de dramatische koersval ben ik zelfs even in Wall Street gaan kijken. Je bent verslaggever of je bent het niet.

Er was niets bijzonders te zien. Een paar jonge beursmensen stond buiten een sigaret te roken. Ze zagen eruit zoals het hoort: onberispelijk, alles kraakhelder, hypermodern en met de voortdurende, nonchalante kracht van zelfbevestiging die de jonge beursmensen van deze tijd uitstralen. Onkwetsbare Masters of the Universe, zoals Tom Wolfe ze heeft genoemd. Zoals gezegd, ik heb er geen verstand van, maar iets zei me dat het binnen ook wel mee zou vallen. Als de jongelui van het geld in de film of op de televisie verschijnen, zijn ze in staat van de grootste opwinding. Aan ieder oor een telefoon en wijzend, zwaaiend, roepend. Maar vergis je niet: dat hoort erbij. Ondanks de koersval en wat er in Japan gebeurt, vertoonde Wall Street een normaal en levenslustig beeld, voorzover ik het op straat kon beoordelen. Rustgevend. 's Avonds verscheen op de televisie een oude analist, doorgroefd gezicht, die verzekerde dat de kleine beleggers rustig konden gaan slapen. Mijn indruk van die ochtend werd volkomen bevestigd. Galbraith moet nog even wachten.