Het tweede leven; Nog geen zestig en nooit meer werken; De Erfgename

Ze gaan in een Grieks dorpje wonen, geven op late leeftijd toe aan de liefde of leggen zich mokkend neer bij een afvloeiingsregeling. Zonder geldzorgen en tegen de tijdgeest in stoppen ze met werken voordat hun pensioen ingaat. Over full time thuis zijn, op de veranda zitten en onafhankelijk blijven.

Nel Vermeij (56): “Ik wilde mezelf een kans in de liefde geven, daarom ben ik op mijn zesenveertigste gestopt met werken. Voor de tweede keer in mijn leven was ik verliefd - de eerste keer was toen ik drieëntwintig was.

Bijna al mijn vriendinnen zijn getrouwd en hebben gezinnen en Michael - zo heet mijn vriend - had ook al een gezin gehad. Dan ben je gewend om te delen. Bij mij was het zoals de tuinman in Almelo altijd zei: 'Nel, jij hebt nooit iemand die als je thuiskomt tegen je zegt dat je iets fout doet.' Als je dan een relatie krijgt, moet je er voor werken. Samenwonen met Michael betekende voor mij dus ook werk. Heb je ook nog een gewone baan die alles van je vraagt, dan zal je relatie gaan verwateren en zeg je ineens: 'Ik ben moe, ik kom maar eens een weekendje niet.'

Toen we een half jaar ge-LAT hadden - hij woonde in Amsterdam en ik in Twente - dacht ik: 'Als ik van deze relatie iets wil maken, moet ik een beslissing nemen.' Ieder weekend op en neer, dat gaat niet en ik kon moeilijk tegen Michael zeggen: 'Kom jij maar naar Delden', want ook al zijn er genoeg gekken in Twente, hij kon niet zomaar zijn praktijk als psychiater verkassen.

Ik werkte mijn hele leven al in de verpleging. Dat deed ik bijna dertig jaar toen ik Michael tegenkwam. Ik heb van alles gedaan: ik begon als zuster-in-opleiding, wat in die tijd betekende dat je vooral veel huishoudelijk werk deed en ik eindigde als Hoofd Verpleegkundige Dienst in het district Almelo, een echte managementfunctie.

De overgang naar leidinggevend werk verliep heel geleidelijk; aanvankelijk stond ik de helft van de tijd zelf nog mensen te wassen. Vaak waren dat oude mensen, die één keer per week een wasbeurt kregen voor twee gulden. Ik heb het werk altijd met liefde gedaan, maar de laatste jaren dacht ik wel eens: 'Ik weet niet of ik dit tot m'n zestigste volhoud.'

Vrouwen die in de verpleging werken zijn over het algemeen getrouwd en daardoor kunnen ze met werken ophouden wanneer ze maar willen. Het ligt anders als je tot je zestigste moet doorwerken.

Toen ik Hoofd was, waren er veel fusies en grote veranderingen. Zo moesten de wijk- en hoofdzusters heel anders - efficiënter - gaan werken. Met mijn functie hing ik tussen de mensen die de financiële macht hadden en de verpleegkundigen in. Uiteindelijk voelde ik me vaak de plak kaas op een kadetje: van onderen wordt erop gedrukt en van boven ook en toch moet het de smaakmaker zijn. Als ik kwam overleggen over een nieuwe maatregel die van bovenaf kwam, begreep ik wel dat de wijkzuster dacht: 'O jee, Nel heeft wéér iets nieuws!' Maar ik bedacht het ook niet zelf. Toch was ik wel vaak de gebeten hond; er was veel weerstand tegen het nieuwe beleid. Maar het was niet zo dat ik diep ongelukkig was. Als ik niet via een overlijdensadvertentie Michael had leren kennen en onverwachts een erfenis had gekregen, werkte ik nu waarschijnlijk nog.

Het ging zo: in 1985 belde de zus van André, de jeugdliefde van mijn drieëntwintigste, op om te vertellen dat André ziek was. Hij had longkanker en toen zijn zuster de verzorging niet meer aankon, nam ik hem in huis. Het was niet zoals vroeger, het was nu vriendschap, maar ik wilde voor hem zorgen.

Toen hij gestorven was, plaatste ik een advertentie in de krant en kreeg vervolgens een condoleancebrief van ene dokter Chayes. Die kende ik van dertig jaar geleden, toen ik nog in het ziekenhuis werkte. Zo begon onze relatie.

Iedereen zei dat ik in een kuil zou vallen als ik stopte met werken, maar die kuil moet ik nog steeds vinden en ik werk al jaren niet meer. Maar het verpleegstersbloed gaat er nooit helemaal uit. Als ik in het Antoni van Leeuwenhuis-ziekenhuis in Amsterdam, waar ik nu met Michael woon, op woensdagochtend het rijdende winkeltje bestuur, ben ik blij dat ik verpleegster ben. Zie ik iemand met een bed aankomen, dan pak ik het automatisch aan de andere kant beet en duw een eindje mee. Want ik weet hoe moeilijk het is om een bed in je eentje te rijden. Als een patiënt iets van mijn kar koopt, ga ik lekker zitten voor een praatje. Als ik na een half uurtje weer verder rij, hoop ik dat ik iemand anders achterlaat.

Ik ben gestopt met werken om mezelf een kans in de liefde te geven, maar als André er tijdens zijn ziekbed niet op had gestaan om mij zijn bezit na te laten, was dat nooit gebeurd. Als je je hele leven financieel voor jezelf hebt gezorgd, geef je die onafhankelijkheid beslist niet meer op. Dankzij Andrés erfenis kon ik stoppen met werken én onafhankelijk blijven. Als ik straks vijfenzestig word, krijg ik het pensioen dat ik zelf verdiend heb.''