Het tweede leven; Nog geen zestig en nooit meer werken

Ze gaan in een Grieks dorpje wonen, geven op late leeftijd toe aan de liefde of leggen zich mokkend neer bij een afvloeiingsregeling. Zonder geldzorgen en tegen de tijdgeest in stoppen ze met werken voordat hun pensioen ingaat. Over full time thuis zijn, op de veranda zitten en onafhankelijk blijven.

Jong Gepensioneerden komen in vier gedaanten: WAO'ers, WW''ers, Vutters (of zij die van een soortgelijke regeling gebruikmaken) en Zelfstandigen, die op eigen houtje hun financiën verzorgen. Zo ziet in ieder geval de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (OZA) de categorie Nederlanders waartoe Nel Vermeij, Joseph Soljack en Frans Cornelis behoren.

Ze maken deel uit van een kleine minderheid die besluit om na jaren van werken een tweede leven te beginnen. Die groep krimpt, ondanks de welvaart van de jaren negentig die juist meer mensen tot vroeg stoppen zou kunnen bewegen. In de economische hausse worden juist weer meer ouderen in het arbeidsproces ingeschakeld. “Vanaf 1995 is een voorzichtige kentering zichtbaar in de arbeidsparticipatie van ouderen. Vanaf dat jaar is de deelname van 50-plussers voor het eerst in circa twintig jaar aan het stijgen. Als die ontwikkeling doorzet, kan er zelfs sprake zijn van een trendbreuk”, aldus Allaart.

Zijn analyse is gebaseerd op diverse onderzoeken die de geprivatiseerde OZA in opdracht van vijf ministeries (Sociale Zaken, Binnenlandse Zaken, Economische Zaken, VWS en OCW) verricht naar de positie en ervaringen van 50-plussers op de arbeidsmarkt. Werknemers geven verschillende redenen op om met werken te stoppen, maar meestal vallen die onder de noemer 'verminderde motivatie'.

Precieze aantallen heeft de organisatie niet, maar adjunct-directeur Piet Allaart denkt dat de groep Vutters het grootst is onder Jong Gepensioneerden tot 55 jaar en na die leeftijd de WW-categorie.

De Zelfstandigen nemen, ondanks de blozende Nederlandse economie, een marginale positie in: “Misschien heeft een enkeling van de beurshausse geprofiteerd”, zegt Allaart, “maar in het algemeen geldt dat maar een heel klein groepje mensen het zich kan veroorloven om zonder overheids- of bedrijfsgeld te stoppen.” Voornamelijk vrouwen, wier inkomen het tweede is binnen het gezin, vallen onder deze categorie.

De OZA houdt om de twee jaar een 'VUT-enquête' waarin ongeveer vierhonderd (deels toekomstige) Vutters gevraagd wordt naar hun ervaringen als oudere op de werkvloer en hun redenen om vervroegd met werken te stoppen. Ook heeft de organisatie recentelijk onderzocht of binnen bedrijven sprake is van ouderenbeleid - ook wel 'leeftijdsbewust personeelsbeleid' genoemd.

De animo om vervroegd te stoppen ligt volgens Allaart bij laagopgeleiden hoger dan bij academisch geschoolden. Logisch: “Hoogopgeleiden hebben in de regel interessanter werk dat bovendien fysiek minder belastend is. De elite die een hoge managementfunctie bekleedt is wel zwaar belast, maar wie dat niet aankan, is meestal al in een eerder stadium afgevallen. Wie het werk volhoudt, is gemotiveerd om op de verworven plek te blijven en zal niet snel vervroegd uittreden.”