Heen en weer; CODEWISSELING TUSSEN TWEE TALEN IS ONDERHEVIG AAN REGELS EN PATRONEN

Marokkaanse jongeren gebruiken in een en dezelfde zin vaak Marokkaans en Nederlands door elkaar: codewisseling. Utrechts taalkundig onderzoek legt de onderliggende regels bloot.

ONGE MAROKKANEN en Turken die even gemakkelijk het Nederlands als de taal van hun ouders gebruiken - we kijken er niet meer van op. Onder elkaar kunnen ze die talen ook afwisselen of vermengen. Het kan voor iemand die alleen Nederlands spreekt een leuk experiment zijn om, bijvoorbeeld in het openbaar vervoer, plaats te nemen bij een groepje druk pratende Turkse of Marokkaanse jeugd, de flarden Nederlands in het verder onverstaanbare gesprek te registreren en je af te vragen: waarom zeggen ze dat nu juist in het Nederlands? Vorige week, in de Intercity van Amsterdam naar Utrecht, leverde dit alledaagse experiment bij een clubje Marokkaanse tienermeisjes zinnetjes op als 'Kan niet, weet je', 'Heeft zij al een baan?' en 'Echt wel'.

Het heen en weer springen tussen twee talen, traditioneel codewisseling genoemd, lijkt een grillig verloop te hebben. Maar wie er goed naar kijkt, ontdekt regels en vaste patronen. Taalgebruik is altijd onderhevig aan regels, alleen zijn wij ons van die regels niet bewust. Er moet een taalkundige aan te pas komen om ze boven water te halen.

Louis Boumans promoveerde deze zomer aan de Universiteit Utrecht op codewisseling bij Marokkaanse twintigers. “Het is ingewikkelder dan je denkt”, zegt hij. “Sommige dingen zijn evident, zoals het gebruik van Nederlandse woorden waar ze in hun eigen taal geen equivalent voor hebben. Maar ik heb ook dingen gevonden die helemaal niet voor de hand liggen.”

Codewisseling komt alleen voor bij mensen die elkaar goed kennen. Het materiaal voor Boumans' onderzoek werd daarom verzameld door een Marokkaanse student, die zijn vrienden en familie uitnodigde om samen met hem over van alles en nog wat te discussiëren. De cassetterecorder luisterde mee. Het leverde twaalf uur tape op, waar Boumans zijn tanden op stuk mocht bijten. Een klein deel van de opnamen was onbruikbaar, omdat de discussie daar zo heftig werd dat iedereen door elkaar begon te praten en het op tape achteraf niet meer uit elkaar te houden was.

De Marokkanen die aan de sessies meededen, wisten ongeveer waar het onderzoek over ging. Boumans gelooft niet dat die kennis van invloed geweest is op hoe ze praatten. “Het is vrij moeilijk om in een spontane discussie opeens heel anders te gaan praten dan je gewend was. Bovendien lijken de patronen die ik tegenkwam op wat er eerder beschreven is.”

PARALLEL

Het onderzoek liep parallel met een onderzoek naar codewisseling onder Turken, dat door Ad Backus werd uitgevoerd. De Turkse en Marokkaanse resultaten werden naast elkaar gelegd en bleken veel met elkaar gemeen te hebben.

De eerste generatie Turken en Marokkanen gebruikt vooral losse Nederlandse woorden. Niet erg verrassend is dat deze woorden vaak te maken hebben met de overheid (kinderbijslag, arbeidsbureau), de arbeidsmarkt (administratief medewerker, kantine) en het onderwijs (basisschool, vakantie). Dat zijn immers de domeinen van de Nederlandse cultuur die het leven van de immigrant het eerst binnendringen.

Bij de tweede generatie breidt dit patroon zich uit naar langere uitdrukkingen - op kamers wonen, vakken vullen - en worden er ook vaker Nederlandse woorden en uitdrukkingen gebruikt die wel een equivalent hebben in de eigen taal: smoes verzinnen, dicht bij elkaar. Waarom die dingen in het Nederlands gezegd worden, is niet altijd erg duidelijk. Bij sommige woorden heeft dat mogelijk te maken met de sfeer die er rond die woorden hangt. Het woord pilsje, dat regelmatig in de Turkse zinnen opdook, roept waarschijnlijk een ander gevoel op dan het Turkse woord voor bier. Een biertje smaakt in Turkije hetzelfde als hier, maar de context waarin het geschonken en gedronken wordt is heel anders. Hetzelfde kan gezegd worden van woorden als friet, verkering, nachttrein en samenwonen. Boumans: “Vaak zijn het woorden die geassocieerd worden met een Nederlandse context of een context waarin Nederlands gesproken wordt. Dan komen de Nederlandse woorden vanzelf naar boven. Of iemand vertelt iets wat hij al eerder in het Nederlands verteld heeft. Ook dan komen die woorden bovendrijven.”

Bij de tweede generatie komen daarnaast allerlei andere patronen voor. Hele zinnen of zinsdelen kunnen in de andere taal gezegd worden. Zo is er het voorbeeld van een Turks meisje dat in het Nederlands begint te vertellen: 'Weet je wat zo komisch was', daarna naadloos overschakelt op het Turks: 'Birsen wilde ooit politievrouw worden', daarna weer Nederlands: 'Weet je, zes jaar geleden of zo' en daarna weer Turks: 'Mijn moeder zei: hoe haal je het in je hoofd?' En wat te denken van het Turkse meisje dat in het Turks begint met 'Ik ging naar een bruiloft' en er dan, zonder ook maar even te pauzeren, in het Nederlands aan toevoegt: 'helemaal niet opgemaakt of zo'. Of de Marokkaanse jongen die de volgende zin in het Marokkaans zegt, maar de gecursiveerde woorden in het Nederlands: 'Waarom zou een vrouw geen ziel hebben en een man wel?'

Hoe merkwaardig de patronen soms ook zijn, Boumans laat in zijn dissertatie zien dat ze vrijwel allemaal beschreven kunnen worden als stukjes van de ene taal die worden 'ingebed' in zinnen van de andere taal. De ingebedde stukjes schikken zich naar de grammaticale regels van de rest van de zin. Soms zijn er binnen één zin meerdere lagen in het spel. Boumans vond in zijn materiaal de zin 'Dus hij heeft een slaapkamer en nog een andere kamer', waarin de gecursiveerde woorden in het Marokkaans gezegd worden. 'Een slaapkamer en nog een kamer' is ingebed in een Marokkaanse zinsstructuur. Maar binnen 'een slaapkamer en nog een kamer' is het Marokkaanse woord voor kamer weer ingebed in de Nederlandse structuur van dat zinsdeel. De zin is dus opgebouwd uit drie grammaticale lagen. Het is een voorbeeld van hoe virtuoos die nonchalant ogende spreektaal in elkaar zit.

SPIEGELBEELD

Boumans vergeleek ook de stukjes Nederlands in Marokkaanse zinnen met de stukjes Marokkaans in Nederlandse zinnen. Je zou verwachten dat die twee het spiegelbeeld van elkaar zijn, maar dat blijkt niet zo te zijn. Terwijl vanuit het Marokkaans regelmatig wordt doorgeschakeld naar Nederlandse woorden die naar typisch Nederlandse zaken verwijzen, komt het omgekeerde minder voor. De Marokkaanse woorden in de Nederlandse zinnen zijn vaak nogal onbeduidend: 'ik', 'daar', 'dat', 'wij'.

Een Marokkaan kan bijvoorbeeld tegen een andere Marokkaan zeggen: 'Ana, jouw broer heeft mij niet uitgenodigd', waarin ana 'ik' betekent. De hele zin betekent zoiets als: 'Wat mij betreft, jouw broer heeft mij niet uitgenodigd'. Het is een typisch Marokkaanse constructie. De zin begint met datgene waarover iets gezegd gaat worden. Daarna volgt datgene wat daarover gezegd wordt. Deze 'topic-comment'-constructie komt in het Marokkaans veel vaker voor dan in het Nederlands. De correcte Nederlandse vertaling is: 'Jouw broer heeft mij niet uitgenodigd', met een stevig accent op 'mij'. Wat het Nederlands doet door 'mij' een accent te geven, dat doet het Marokkaans door 'ik' voorop te plaatsen. Door nu de Nederlandse zin met het Marokaanse 'ana' te beginnen en daarna in het Nederlands af te maken, krijgt dat Nederlands een soort Marokkaanse touch.

Boumans vond in zijn materiaal veel van dergelijke zinnen. Zoals: 'Hna, religie dyal-na is veel sterker in ons ingeprent.'Letterlijk vertaald: 'Wij, de religie van ons is veel sterker in ons ingeprent.'

Het gebruik van Marokkaanse woorden in Nederlandse zinnen heeft dus vaak een syntaktische reden. Het is een manier om in het Nederlands iets op een Marokkaanse manier te zeggen. Het omgekeerde verschijnsel, het gebruik van Nederlandse woorden in Marokkaanse zinnen, heeft, zoals we gezien hebben, meestal een semantische reden.

“De beide talen zijn niet gelijkwaardig”, zegt Boumans. “Er is sprake van asymmetrie. Het Marokkaans is de groepstaal, terwijl het Nederlands een opgelegde taal is. Als je elementen uit de opgelegde taal inbedt in de groepstaal is dat heel wat anders dan wanneer je het omgekeerde doet.”

Hoewel er sprake is van vaste patronen, komen niet alle patronen bij iedere individuele spreker terug. Er zijn grote individuele verschillen in de manier waarop Marokkanen de beide talen door elkaar gooien. Met het verstrijken van de tijd kunnen de patronen algemeen worden en kan er, in theorie, uit de tweetaligheid een nieuwe taalvariant ontstaan. Dat is al gebeurd in de voorsteden van Parijs, waar Marokkanen en Algerijnen onder elkaar een soort Frans praten waar veel Arabische woorden en zinswendingen in zitten. Voor een Fransman die geen Arabisch kent, is dat Noord-Afrikaanse Frans moeilijk te volgen.

Of zoiets in Nederland ook gaat gebeuren, is koffiedik kijken. De situatie van de Marokkanen in Nederland verschilt nogal van die van de Marokkanen en Algerijnen in Frankrijk. Sommige zinnen die Boumans aantrof zouden de voorboden kunnen zijn van een Marokkaanse variant van het Nederlands. De Marokkaanse vrouw die in haar Nederlandse zin het Marokkaanse woord voor 'maar' gebruikte - 'Ik wil graag terug walakin dat kan niet' - is zeker niet de enige Marokkaanse die dat doet. Als er maar genoeg Marokkanen zijn die het woord 'walakin' regelmatig gaan gebruiken in het Nederlands dat ze onder elkaar spreken, dan is dat misschien het begin van een Marokkaans-Nederlands argot.

NEDERLANDSE WERKWOORDEN IN HET TURKS EN MAROKKAANS

Werkwoorden van de ene taal laten zich minder gemakkelijk inbedden in de andere taal. Zeker als die talen heel anders met werkwoorden omgaan, zoals in het Turks en het Marokkaans het geval is.

Maar het kan wel. Er zijn twee manieren om het te doen. De eerste is om het Nederlandse werkwoord van zijn uitgangen te ontdoen en er de Turkse of Marokkaanse uitgangen (en voorvoegsels) aan vast te plakken. Dat blijkt echter nauwelijks te gebeuren.

De tweede manier is om het Nederlandse werkwoord te combineren met het Turkse of Marokkaanse woord voor 'doen'. Het voordeel hiervan is dat het Nederlandse werkwoord geen vreemde uitgangen of voorvoegsels nodig heeft. Deze methode blijkt zowel onder Marokkanen als Turken zeer in trek te zijn.

Marokkaans / Nederlands:

Ma ka-t-dir-ha-s voelen?

Voel je het niet?

(Letterlijk: Doe-je-het niet voelen? Vergelijk het Engels: Don't you feel it?)

Dir-li-ya samenvatting geven!

Geef mij de samenvatting!

(Letterlijk: Doe-mij samenvatting geven!)

Turks / Nederlands:

Juni'de afstuderen yapacak.

Ze studeert in juni af.

(Letterlijk: In juni afstuderen doet-ze.)