Gewone mensen

Ik herinner me een foto uit Opmars naar de galg, een boek over het proces in Neurenberg. Mijn vader had een rijtje van zulke boeken in de kast staan, hij was geïnteresseerd in de morele aspecten van oorlog. En misschien was ik dat ook wel. Op mijn veertiende had ik al die boeken al van voor naar achter gelezen.

Op die foto zag je een paar donkere vrouwen langs een haag van soldaten rennen, ongetwijfeld voor het appèl in een concentratiekamp. Ik moet geweten hebben dat deze vrouwen bestemd waren voor de gaskamer, maar dat leek op dat moment het ergste niet. Het overheersende facet van de foto was dat ze geen kleren aan hadden. Omdat ze geen kleren aan hadden, keken die vrouwen zo ongelukkig. Omdat ze geen kleren aan hadden, waren die soldaten zulke boeven. Omdat ze geen kleren aan hadden - omdat je kon zien wat je niet mocht zien, en zeker in deze context niet - was deze foto indrukwekkender dan andere.

Verwarrend.

Als je in maart '46 geboren bent, kun je op je vingers natellen dat je bent verwekt in het optimisme van de bevrijding. Het lijkt me overdreven daaruit een speciale missie af te leiden. Maar je gedachten gaan die kant wel eens op, in ieder geval ben je met de herinnering aan de oorlog opgegroeid.

Op familiebijeenkomsten stonden alle verhalen in het licht van de oorlog. Je had voor de oorlog, in de oorlog en na de oorlog. Voor de oorlog de crisis, in de oorlog de rechteloosheid, na de oorlog wat we van dat alles geleerd hadden moeten hebben.

Wat de in de oorlog bedreven gruwelen betreft: die werden toegeschreven aan de Duitsers, gewone mensen. Deze twee dingen, in alle tegenstrijdigheid onlosmakelijk met elkaar verbonden. Duitsers, gewone mensen.

Nu, na al die jaren, zie ik het zo dat met name in Nederland de gewone-menselijkheid van Duitsers onmogelijk kon worden genegeerd. Daarvoor zijn we te veel hetzelfde. We kunnen honderd keer met vakantie naar Frankrijk, we blijven buiten het Duitse taalgebied het meest Teutoonse volk ter wereld.

Goed, mijn vader, beroepsmilitair, ex-oorlogsvrijwilliger in Indië, heeft me altijd voorgehouden dat oorlog geen pretje is en dat iedereen vooral op zijn hoede dient te zijn voor de kampbeul in zichzelf. En zo denk ik er zelf ook wel ongeveer over. Ik zou kortom best bij zekere plechtigheden het woord kunnen voeren. Maar ik zou dan niet zeggen dat dit (naar believen: de jodenvervolging, de bezetting, de oorlog in het algemeen) nooit meer mag gebeuren.

In de winter van '85 ben ik samen met mijn oudste zoon naar Neuengamme geweest, het voormalige concentratiekamp bij Hamburg. Bij die gelegenheid bladerde ik even in het gastenboek. Kennelijk was een groepje scholieren ons voorgegaan en daar stond het, in alle onschuld: dit mag nooit, nooit meer gebeuren. Toen voelde ik het voor het eerst, die huiver. Ik heb dat boek toen met een klap dichtgeslagen. En dat is nooit meer overgegaan, nog steeds heb ik, als ik iemand hoor zeggen dat dit nooit meer mag gebeuren, die reactie - een mengeling van wrevel en angst.

Want laten we nu eens aannemen dat er sinds de oorlog en zijn gruwelen meer dan een halve eeuw verstreken is. Dan zijn er twee mogelijkheden: of ze zijn nooit meer gebeurd en dan zullen ze ook wel nooit meer gebeuren (niet in deze vorm althans), of ze zijn blijven gebeuren (zij het steeds in andere vorm). In beide gevallen klinkt 'dit mag nooit meer gebeuren' als een holle frase.

Het benauwende daarvan is de totale wanverhouding tussen de eenvoud van deze woorden en de complexiteit van de oorlog. Op zichzelf is dat zo erg nog niet; misschien bestaan er wel helemaal geen woorden die zijn opgewassen tegen de complexiteit van de oorlog. Maar ze suggereren iets anders, ze suggereren dat er een daad wordt gesteld, dat een formulier van goede wil volstaat om het monster van de oorlog te bezweren.

Bovendien: wie heeft er ooit het tegenovergestelde horen beweren? Wie heeft er ooit de oorlog herdacht en gezegd: dat moeten we gauw nog eens overdoen? Hoeveel moed, inzicht of passie is er voor nodig om iets te zeggen wat nooit wordt tegengesproken?

Ik denk niet dat wij (wij) al die tijd van oorlog gevrijwaard zijn gebleven omdat wij (wij) zo beschaafd geworden zijn. Hoe meer ik erover nadenk, hoe meer ik geloof dat vrede een uitzonderingssituatie is, hoe meer ik het gevoel krijg dat je voor een leven zonder oorlog vooral geluk moet hebben.

Hoe meer ik erover nadenk ... dat komt doordat ik in het Oorlogsmuseum in Overloon weer zo'n foto heb gezien.

Het merkwaardige is: ik heb die foto, uitvergroot aan een wand bevestigd, helemaal niet zo goed bekeken. Ik was daar om me een oordeel over het museum te vormen, niet over de oorlog. Maar hij komt telkens terug op mijn netvlies.

Je ziet twee donkere mannen op de rand van een kuil, ongetwijfeld een massagraf. Ze leven nog. Ze zitten op hun knieën, hun handen op hun rug, het hoofd gebogen. Dus daar heb je meteen al die martelende, onmogelijke, altijd weer herhaalde vraag: kan ik er wat aan doen dat die mannen daar zitten? En: wat is er in godsnaam zo belangrijk aan deze mannen dat ze dood moeten?

Achter beide mannen staat een Duitser, de arm gestrekt, een pistool gericht op het achterhoofd.

De achterste van deze Duitsers is misschien niet zo duidelijk, die wil me tenminste niet meer voor de geest komen. Maar de voorste heeft een verschrikkelijk vertrokken gezicht, net of hij op het punt staat een zwerfhond van zich af te schoppen, net of hij bezig is zichzelf geweld aan te doen. Die kan de trekker niet overhalen zonder zich kwaad te maken, en laten we wel zijn, dat valt nog te begrijpen, dat maakt hem in ieder geval menselijker dan het groepje Duitsers op de achtergrond (hoewel ze ook daar, als je het tot je laat doordringen, door en door menselijk zijn).

Daar staan ze te keuvelen.

Daar hebben ze het over het wéér of zoiets.

Daar staan ze erbij als een stelletje toeschouwers in de rust van een voetbalwedstrijd in een onderafdeling van de KNVB.

Zo zie ik op deze foto iets wat ik misschien ook al heb gezien bij de soldaten op die foto in Opmars naar de galg - maar nu pas in alle scherpte, in zijn volle noodlottigheid: hoe het publiek zich amuseert.

Dus daar moet je ook nog eens rekening mee houden. Dat er mensen zijn die het eigenlijk wel gezéllig vinden om bij zo'n moordpartij in de buurt te zijn. Duitsers, gewone mensen.