FOSSIELE VIS ZEGT NIKS OVER ONTSTAAN VAN LEDEMATEN

Hoe ontstonden de ledematen waarmee de eerste vierpotigen zo'n 335 miljoen jaar geleden aan land kropen? Zijn de vingers en tenen een plotseling opduikende, nieuwe vinding, uniek voor vierpotigen; of evolueerden ze uit de vinnen van voorouderlijke vissen? Om daarop antwoord te vinden onderzoeken paleontologen dergelijke fossiele vissen. Ze behoren tot de zogeheten Sarcopterygii (met als huidige vertegenwoordigers de longvissen en de zeldzame Coelacanthini) en een groep die daaronder valt zijn de rhizodonten. Tot nu toe was er weinig bekend over de anatomie van rhizodonten. Zerina Johanson van het Australian Museum in Sidney en Per Ahlberg van het Natural History Museum in Londen presenteren in Nature (6 augustus) het tot nu toe meest complete skelet van een rhizodont (Gooloogongia loomesi) dat in New South Wales werd opgegraven. Schedeldak en neusgaten van het fossiel lijken qua samenstelling erg op die van Barameda, een bekende rhizodont.

Nu er eindelijk een tamelijk compleet fossiel beschikbaar is van een rhizodont, komen de twee paleotologen tot een verrassende conclusie. Behalve het neusgat en de opbouw van de vinnen heeft G. loomesi geen enkele overeenkomst met de vroege vierpotigen. Rhizodonten zijn helemaal niet zo verwant met de vierpotigen dan altijd gedacht, concluderen Johanson en Ahlberg. De overeenkomsten zijn waarschijnlijk het gevolg van convergente evolutie (onafhankelijk van elkaar ontstane vergelijkbare structuren). Rhizodonten moeten volgens de auteurs niet langer gebruikt worden om het ontstaan van ledematen bij vierpotigen te bestuderen.