De rede van Veere

Uitzetten in een diagram van het laadvermogen van fluiten tegen hun lengte leidt tot een indeling in twee categorieën. Aldus blijkt uit een schilderij van Philips van Macheren.

HET WEMELT VAN de schepen op het schilderij De rede van Veere in 1651, dat de (overigens vrijwel onbekende) zeeschilder Philips van Macheren dat jaar maakte. Het hangt boven de schouw van de vierschaar in het oude stadhuis van Veere, en beeldt blijkbaar alle schepen uit die in het jaar 1651 van die haven uitliepen. Boven een begeleidende, op hout geschilderde tabel, waarschijnlijk ook door de schilder gemaakt, staat: “In den iaere 1651 hebben dese volgende schepen van Tervere gevaren.”.

Hoewel veel schepen schetsmatig en klein op de achtergrond zijn afgebeeld, is toch ook een flink aantal meer gedetailleerd op de voorgrond weergegeven. Niettemin wordt de waarde van dit schilderij als historisch document ook door scheepshistorici niet algemeen onderkend: zij vermelden het maar uiterst zelden.

Het is vooral de begeleidende genummerde tabel die het schilderij zijn waarde als historisch document verleent. Deze verwijst naar de schepen in het schilderij, die van overeenkomstige nummertjes in witte verf zijn voorzien. Bij elk schip in de tabel staat een vermelding van de naam, die van de schipper en van het type schip, het aantal dekken, het al dan niet aanwezig zijn van een galjoen, de lengte van de romp, het aantal lasten lading dat kon worden vervoerd, het aantal stukken (kanons) waarmee het schip was bewapend, en tenslotte het aantal bemanningsleden, mannen zowel als scheepsjongens. Zulke informatie over zoveel geportretteerde koopvaarders uit die tijd is uniek. Het schilderij geeft trouwens ook de vroegste expliciete identificatie van fluiten.

De fluit is ook het best vertegenwoordigde type zeeschip op het schilderij, met 14 van de 41 genummerde koopvaardijschepen. Links staan er vier: Den Koornblom (1), Den Swarten Arent (2), De Salmander (3), De Vogel Fenix (4); verder twee pinassen: De Liefde (5) en De Ionge Prins (6). Het eindigt rechts ook met vier fluiten die achter de vier haringbuizen op de voorgrond zijn te zien. De onderrand van het schilderij is zeer donker, waarschijnlijk als gevolg van rook uit de schouw. De meest linkse fluit in het rechterdeel is de Groenlandsvaarder De Geregtigheyt (38); de walvis in de vlag is duidelijk te zien. De drie andere zijn de vrachtfluiten Den Vergulden Haas (39), De Goude Valke (40) en De Hoope (41).

Om de informatie die de tabel bevat er ook uit te krijgen, is het noodzakelijk op de gegevens eenvoudige kwantitatieve analyses los te laten. Deze niet al te grote moeite wordt ruimschoots goedgemaakt door de waarde van de zo verkregen informatie. Een voorbeeld betreft het al eerder opgemerkte verschil in slankheid tussen de Amsterdamse fluiten bij Witsen, gemiddeld 5 op 1, en de Rotterdamse fluiten bij van Yk, gemiddeld slechts c 4 1/3 op 1. Kan een dergelijk verschil, dat niet te constateren is aan de hand van de afbeeldingen in het schilderij, wèl worden vastgesteld aan de hand van het laadvermogen en de lengte van de schepen in de tabel?

In principe moet het antwoord ontkennend zijn, want bij gelijksoortige schepen van verschillende afmetingen is het laadvermogen evenredig met de 'blokinhoud' van de romp, dus met het product van de lengte, wijdte en holte. Alleen als de schepen ook nog redelijk gelijkvormig waren, zou één hoofdafmeting in plaats van de drie hoofdmaten, samen met het laadvermogen, voldoende kunnen zijn. Men hoeft geen groot wiskundige te zijn om in te zien dat in dat geval het laadvermogen van schepen van verschillende grootte evenredig zal zijn met de inhoud van een kubus waarvan de ribben de lengte van die ene afmeting bezitten. Enigszins onverwacht, vinden we dergelijke gelijkvormigheid bij de drie fluiten waarvan Witsen niet alleen de hoofdmaten, maar ook het laadvermogen geeft, want het blijkt dat het laadvermogen in lasten ongeveer gelijk was aan het tienduizendste deel van de derde macht van de lengte van het schip in voeten.

Ook al geeft van Yk geen laadvermogens op voor de Rotterdamse fluiten die hij beschrijft, het is wel met zekerheid te voorspellen dat bij deze fluiten, die minder slank waren dan de Amsterdamse, het laadvermogen bij dezelfde lengte beduidend meer moet hebben bedragen. Dit betekent dat een vergelijking van derde machten van de scheepslengten met de overeenkomstige laadvermogens ons in principe in staat moet stellen de slanke fluiten van 'Amsterdams' model te onderscheiden van de wat lompere 'Rotterdamse'. Tegelijk kan de spreiding gemakkelijk zo groot kan zijn, dat een eventueel systematisch verschil niet is vast te stellen.

Als we de vergelijking uitvoeren door voor elke fluit in de tabel het opgegeven laadvermogen uit te zetten tegen de derde macht van de lengte (gedeeld door 10.000), worden we beloond met een verrassing: de punten zijn langs twee lijnen geordend. De onderste lijn, die ook voor de drie fluiten bij Witsen geldt, is representatief voor vijf fluiten die klaarblijkelijk van 'Amsterdams' model zijn. De bovenste lijn geldt voor de overige negen fluiten, die qua vorm misschien 'Rotterdams' of 'Zeeuws' genoemd mogen worden, maar die in elk geval minder slank waren. Opvallend is de geringe spreiding van de punten; blijkbaar waren de fluitproporties met maar heel weinig variatie óf volgens het ene, óf volgens het andere model gekozen.

Een mogelijke tegenwerping is dat de punten ook op twee lijnen zouden liggen als de scheepslengten in verschillende voetmaten (hier Amsterdamse en Rijnlandse) waren gegeven; maar dan zou het verschil veel groter zijn. Het zal geen toeval zijn dat de vijf meest rechtse fluitschepen op het schilderij de 'Amsterdamse' zijn, kennelijk door de schilder bewust zo gerangschikt als schepen niet uit eigen haven of gewest afkomstig. Van de twee fluiten genaamd De Hoope blijkt de eerste 'Rotterdams', de tweede 'Amsterdams' te zijn, in overeenstemming met het vermoeden dat ze uit verschillende havens afkomstig waren.