'De modernste muziek kan ook heel leuk zijn'; Robertson wil repertoire van EIC verbreden

Het Ensemble Intercontemporain (EIC) heeft een wereldreputatie. Aanvankelijk was het onder leiding van Pierre Boulez gericht op strenge, seriële muziek, maar onder de huidige vaste dirigent Robertson is tonaliteit niet verboden.

PARIJS, 8 AUG. Hedendaagse muziek is moeilijk en kan maar op één manier worden gespeeld. Met dat soort ingesleten ideeën probeert David Robertson af te rekenen. Als vast dirigent reist hij met zijn in Parijs gevestigde Ensemble Intercontemporain Frankrijk en de wereld af om te laten horen dat 'klassieke' muziek van deze eeuw mooi en, zoals de Amerikaan dat noemt, zelfs 'gushing' (gutsend, opwindend) kan zijn.

Na zeven seizoenen aan het hoofd van het ensemble, dat nog steeds de reputatie van haar ere-dirigent Pierre Boulez meedraagt, durft de huidige dirigent zich een paar observaties te veroorloven. Over Boulez en Frankrijk. En over de leden van zijn ensemble, die hij bijzonder hoog acht: “Ze worden steeds losser. Ze vinden het zelfs niet meer eng als ze in Stimmen van Henze een koraal als spiritual moeten zingen, of aan de dans moeten geloven, zoals nu we met Lucinda Childs een muziek- en dansprogramma voorbereiden.”

Het Ensemble Intercontemporain (EIC) heeft een wereldreputatie als ontdekker en wegbereider van de muziek van deze eeuw, maar dat levert niet automatisch een comfortabel bestaan op. Het ensemble trekt lang niet altijd volle zalen. Boulez stond met 'zijn' Ensemble nu eenmaal voor strenge muziek, de seriële opvolgers van de tweede Weense school (Berg en Schönberg). Dat wil zeggen meer voor Varèse, Kagel, Kurtág en Stockhausen dan voor Reich, Glass, Adams en Carter, die inmiddels hun publiek hebben veroverd. Toen Boulez het ensemble in 1976 oprichtte was dat uit overtuiging. De nieuwste muziek, zoals hij die opvatte, moest worden gespeeld. Bijna 1500 werken zijn inmiddels uitgevoerd.

Niemand beloofde dat het makkelijk zou worden, ook al houdt de Franse staat de subsidie van 6,3 miljoen gulden trouw op peil. Ze mogen spelen als een ingereden Ferrari, toen de 31 musici van het Ensemble Intercontemporain kort na het overlijden van Ton de Leeuw in Amsterdam diens Three Shakespeare Songs uitvoerden, zat de Grote Zaal van het Concertgebouw half vol. In de (minder) grote zaal van het Parijse Cité de la Musique, de thuisbasis van het EIC wordt inmiddels een gemiddelde bezetting van 76 procent gehaald. Stockhausen bracht het dit afgelopen seizoen zelfs tot 114 procent zaalbezetting en Henze tot 121 procent. Ook de Franse componist Schoeller leverde meer dan één uitverkochte zaal op. Voor volgend jaar staan concerten (40 in Parijs, 30 elders) op het menu van bekende namen als Xenakis, Boulez, Messiaen en Nono, maar ook wereldpremières van onder anderen Georges Lopez, Michael Jarrell, Unsuk Chin, Denis Cohen, de Nederlander Richard Rijnvos en een dansconcert met de Franse choreograaf François Raffinot.

Nu, 22 jaar later, is plezier niet meer taboe. Tonaliteit evenmin. Het Ensemble verbreedt zich en het publiek wordt jonger en diverser. David Robertson, de opvolger van Boulez, Nagano en Ötvös: “Ik ben de eerste muzikaal directeur van het Ensemble Intercontemporain die niet in de eerste plaats componist is. Ik componeer ook wel, maar Ötvös en Pierre waren grote componisten die ook nog eens grote dirigenten waren. Ik ben vooral een vertaler. Het interesseert mij niet of Dostojevski beter is dan Tolstoj. Ik wil ze in het Nederlands vertalen. Ik kan Andriessen dirigeren, en dan Carter en Schubert zonder dat er iets mis is. Dat weten de spelers van het Ensemble inmiddels ook. Die dachten in het begin dat er bij hedendaagse muziek geen interpretatie komt kijken. Boulez spelen zonder Boulez was een hele ervaring voor hen. Nu zijn ze dat gewend. Pierre kan dat goed hebben. Toen ik hier met het Ensemble De Staat van Andriessen had gespeeld, kwam Boulez naar me toe. Hij houdt niet van het stuk, maar hij zei: 'Goed dat je 't hebt gedaan'. Hij is een zeer open man. Het zijn de discipelen waar je voor moet uitkijken.”

David Robertson, die niet bij een bepaalde school wil horen, moest zich in het begin nogal verdedigen, herinnert hij zich. Niet alleen tegen de aanbidders van zijn mytische ere-dirigent, maar ook tegen het Franse muziekonderwijs en een 'compartimentale' Franse benadering. De modernste muziek moest in zijn hok blijven. Dat hok was prachtig, de Cité de la Musique, maar ook benauwend. “Het mag geen getto voor musici en musicologen worden. Wij willen daar en overal laten horen dat de modernste muziek echt ook leuk kan zijn. Dat gaan we volgend seizoen onder meer doen door andere vormen te zoeken voor 'het concert dat om acht uur begint en twintig minuten pauze in het midden heeft'. We gaan proberen om half acht te beginnen met een 'atelier' waarin een iets moeilijker of nieuwer werk wordt toegelicht en gespeeld. Daarna volgt een klassieker gedeelte.”

Hervé Boutry, administrateur général van het Ensemble, zegt: “De subsidie van de Franse staat verplicht ons een breder publiek te zoeken en zo veel mogelijk mensen kennis te laten maken met de twintigste eeuw”. Hij probeert steeds meer Franse steden warm te maken om het EIC in hun concertprogramma's op te nemen. Dat lukt gestaag. Met een serie schoolactiviteiten willen Robertson en Boutry vooral de muziekdocenten in het middelbaar onderwijs wapenen om 'het publiek van morgen op te leiden'. Dat lukt beter en beter: “De Fransen worden steeds opener”, zegt de betrokken buitenstaander Robertson.

Er wordt ook verder gereisd: het festival van Edinburgh, Keulen en Brussel alleen al de komende weken. Nederland staat volgend seizoen niet op de lijst - een kwestie van gevraagd worden. Het Ensemble Intercontemporain is er daarentegen trots op dat het aan de beste Amerikaanse universiteiten workshops gaat geven. Frankrijk krijgt een spectaculair breed pakket aangeboden. David Robertson: “Fransen hebben altijd open gestaan voor hedendaagse muziek, maar ik merk dat het de laatste jaren minder polemisch is geworden. Esthetische ruzies verstommen, er mag meer. Men beseft dat zo'n Cité de la Musique uniek is.”

Hij wordt ook wel eens moe van dat uniek-zijn: 300 componisten sturen jaarlijks hun werk in. Een commissie onder leiding van David Robertson 'leest' alles en geeft naar beste weten adviezen en een enkele keer een aanbod om er een wereldpremière van te maken. Het is uitputtend werk, iedereen wil gemotiveerd antwoord. Maar het moet. Het Ensemble Intercontemporain wil niet alleen het Getty maar vooral de NASA van de nieuwste muziek zijn.