De lepelaarparadox; Nederland exporteert visserijproblemen naar West-Afrika

In de winter is de Mauretaanse Banc d'Arguin verblijfplaats van Nederlandse wadvogels. Maar sinds Nederlandse reders en gesubsidieerde plaatselijke vissers deze 'wetlands' hebben ontdekt, zijn de lepelaar en de monniksrob in gevaar.

Woestijn aan de ene kant, de vlakke oceaan aan de andere, en een noordgrens die door rotsformaties en landmijnen doeltreffend is afgesloten. Er tussen in: een waddenzee. De Banc d'Arguin aan de kust van Mauretanië is een kroonjuweel onder de internationale 'wetlands', de natte natuurgebieden.

Dit Nationale Park, het winterverblijf voor een flink deel van de trekvogels van de Nederlandse Waddenzee, is inzet van een controverse tussen natuurbeschermers, vissers en de Nederlandse overheid. Er speelt zich een ecologische detectiveroman af. De Nederlandse visserij heeft het gedaan,vinden sommigen. Jarenlang lag de Banc d'Arguin er verlaten bij. Je kon er een plaatselijke visser met een geruisloze zeilsloep tegenkomen en sinds de jaren zeventig af en toe wat Nederlanders die met verrekijkers in de weer waren.

Inmiddels dreigt er gevaar uit het zuiden, langs de kust. Plaatselijke vissers, die de internationale markt ontdekt hebben, hanteren dankzij succesvolle ontwikkelingshulp al te efficiënte vismethoden en verspillende verwerkingstechnieken. Roggen en haaien verdwijnen in rap tempo, voor de haaienvinnenmarkt. Het idyllische beeld van vissers die harders - wieretende zoutwatervissen - met hulp van dolfijnen vangen, is vervangen door dat van moderne ringnetten, waarin diezelfde dolfijnen om het leven komen.

De tweede dreiging komt van de oceaan. Uit Nederland. De Nederlandse treilervloot heeft de visrijke West-Afrikaanse kust ontdekt. Met bewonderenswaardige slagvaardigheid hebben Nederlandse reders vanaf 1996 hun werkveld verplaatst, met het rijke viswater van de twintigmijlzone bij de Banc d'Arguin als grote attractie. Visserij heeft zowel ver uit de kust plaats, als vlak onder de zuidgrens van de Banc d'Arguin. Nederlandse diepvrieshektreilers varen er nu af en aan.

De Banc d'Arguin is het belangrijkste getijdengebied van Afrika. De platte vlakte tussen twee landtongen met platen en geulen en de bedden zeegras vormt een uitgelezen leefgebied voor vissen en schaaldieren. Het is een kraamkamer waar veel vogels verlekkerd hun neus in komen steken. Zanderige rotseilandjes herbergen grote broedkolonies van allerlei soorten watervogels, zoals witte pelikanen, roze flamingo's, en reeksen reigers.

Tijdens de Europese winter biedt de getijdenzone rond de eilanden en platen plaats aan miljoenen trekvogels uit het noorden, zoals rossige grutto's, strandlopers en plevieren. Terwijl talloze organisaties zich druk maken over de bescherming van de Nederlandse Waddenzee, is bescherming van deze 'Afrikaanse Waddenzee' door de jaren heen alleen door het Wereld Natuur Fonds op vaste basis ondersteund. Wegens de rijke biodiversiteit kreeg de Banc d'Arguin in 1976 een plaats op de Wereld Erfgoed Lijst van de UNESCO. Sinds datzelfde jaar is het kustgebied, met een strook van de aangrenzende Sahara en oceaan, een nationaal park dat twaalfduizend vierkante kilometer beslaat.

Van het straatarme Mauretanië vallen ondanks die status weinig natuurbeschermingsinspanningen te verwachten. Die zullen moeten komen van de landen die visserijakkoorden afsluiten. Wetenschappelijk onderzoek heeft er mondjesmaat plaats. In zo'n situatie is natuurbescherming gedreven vrijwilligerswerk. Zoals dat van de Werkgroep Internationaal Watervogel en Wetland Onderzoek (WIWO), die zichzelf omschrijft als een vrijwillige Biologen Zonder Grenzen. De WIWO bezocht eind vorig jaar de Banc d'Arguin, en herhaalde een vogeltelling die zeventien jaar eerder ook werd uitgevoerd. Expeditielid Tom van Spanje: “De telresultaten zijn verontrustend. Terwijl we van sommige vogelsoorten juist hogere aantallen hebben geteld, zijn andere met meer dan de helft afgenomen.”

Kleine visjes

De Banc d'Arguin gaat achteruit als natuurgebied, maar het aantal lepelaars stijgt. Zo'n vijftig procent van die in Nederland fanatiek beschermde trekvogels heeft de Banc d'Arguin als winterkwartier. Het is een handig toevluchtsoord om achter de hand te houden: de andere helft verspreidt zich over onder meer de Senegal-delta, die door waterwerken sterk van aanzien verandert, en de onlangs aan vergiftiging blootgestelde Spaanse Coto Doñana.

Dat de Nederlandse lepelaarpopulatie toeneemt, heeft waarschijnlijk niet te maken met de bemoeienissen van Nederlandse vogelbeschermers die zich daarover op de borst slaan. Het is mogelijk te danken aan de visserij voor de kust van Mauretanië. In een situatie van overbevissing neemt het aantal kleinere en jonge visjes aanvankelijk toe - en juist die ziet de lepelaar graag.

De lotgevallen van andere kleinevisjeseters lijken dat idee te bevestigen. Aalscholvers zijn met bijna driehonderd procent toegenomen, en ook het aantal reigers, meeuwen en andere viseters stijgt. Van Spanje: “Steltlopers die het vooral op garnaaltjes en visbroed gemunt hebben, zoals de tureluur en groenpootruiter, zijn vooruitgegaan op de Banc d'Arguin. Ook dat is een aanwijzing dat de voedselsituatie in het gebied verbeterd is. Het punt is: als er meer visbroed is, kan dat wijzen op natuurlijke veranderingen. Maar het is ook een teken van overbevissing. Jonge vis wordt niet meer opgegeten door grote volwassen soortgenoten of roofvissen, en er blijft meer voedsel voor ze over.”

Wat Van Spanje betreft is de paradox - groei door achteruitgang - een tijdelijke. “Het is mogelijk een laatste teken voor de ineenstorting, zoals die al zo vaak bij overbevissing heeft plaatsgehad. Dan krijg je ook een probleem in het Nederlandse Waddengebied. Zo'n driekwart van de trekvogels van de Banc d'Arguin doet jaarlijks ook de Waddenzee aan. Dat realiseert niet iedereen zich voldoende. Er is veel meer onderzoek nodig naar het ecosysteem van de Banc d'Arguin en de effecten van visserij. De activiteiten van de industriële visserij zijn in Afrika moeilijk te controleren en zullen in de komende jaren, vanuit Europa en met name Nederland alleen maar toenemen.”

Een zegsman van de Nederlandse Redersvereniging, het samenwerkingsverband tussen de vier treilerreders, vermoedt dat er bij Mauretanië nog steeds ruimte is voor expansie. De redersvereniging heeft zes of zeven treilers in de wetlands die voornamelijk op sardinella's (haringachtige) vissen. “Ons inziens is wat wij daar ver uit de kust weghalen niet van invloed. Noch op de natuurgebieden, noch op de plaatselijke kustvisserij. Het heeft voor ons natuurlijk geen zin om een aantal jaren volop te gaan vissen bij Mauretanië, en dan vast te stellen dat er te weinig over is. Waar moeten we dan naar toe?”

O.J. Simpson

Als Nederland de bamboebossen van de reuzenpanda's in China zou exploiteren, zou je er dagelijks over horen. In het viswater rond de Banc d'Arguin zwemt een zoogdier dat ook bedreigd is, maar minder aandacht krijgt: de mediterrane monniksrob. Vorig jaar deed zich een raadselachtige sterfte voor onder de mediterrane monniksrobben die juist ten noorden van de Banc d'Arguin hun laatste grote bolwerk hebben. In grotten en spleten in de rotskust van Cap Blanc komen de dieren in kolonieverband samen.

Een eeuw geleden waren dat er duizenden, vorig jaar driehonderd en dit jaar honderd. “Het is een extreem bedreigde soort”, zegt de Nederlandse zeezoogdierenexpert Peter Reijnders van het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek. Hij is op verzoek van de Europese Commissie nauw betrokken bij onderzoek naar deze groep robben. “Deze kolonie was de allergrootste resterende groep, en werd voor de epidemie geschat op ruim driehonderd dieren. Na de sterfte bleken er nog maar 106 dieren over te zijn.”

Bij het onderzoek naar de geheimzinnige sterfte bekeek men of mogelijk de opbloei van giftige algen of een virusinfectie een rol speelde. Reijnders: “Het is net de O.J. Simpson-zaak - er is geen hard bewijs voor het een of het ander. Maar de argumenten voor toxische algenbloei als hoofdschuldige zijn inmiddels duidelijk sterker. Vooral de oudere dieren zijn gestorven. Onze theorie is nu dat alleen de oudere dieren zijn doodgegaan omdat die andere prooisoorten eten of langere trektochten ondernemen, waarbij ze vis eten die de toxische algen bij zich draagt.”

Wanneer algenetende vissoorten wegvallen, kàn dat tot weelderiger algenbloei leiden. Organisaties voor natuurbescherming denken daarbij aan het wegvissen van sardinella's - vroeger commercieel niet interessant, maar nu met veel gejuich door Nederlandse vissers binnengehaald. Ook kan een rol spelen dat de robben door voedselgebrek gedwongen zijn dieper kustwater op te zoeken, waar het risico op contact met toxische algen hoger ligt.

Just van den Broek, hoofd biodiversiteitscampagnes van Greenpeace, onderstreept het belang van een voorzichtige visserijaanpak. “Er zijn verschillende zorgwekkende 'het-zou-kunnen'-scenario's - je kunt ze niet uitsluiten, dus moet je er op zijn minst naar kijken. En zolang je zo weinig weet, moet je je terughoudend opstellen. Dat is het tegenovergestelde van wat nu aan de West-Afrikaanse kust gebeurt. In Europa is er niet meer genoeg vis voor onze treilervloot. Nederland is zijn visserijproblemen nu dus aan het exporteren, onder meer tot voor de deur van Mauretanië.

“Vangstonderzoek, waar men het nu wel over heeft, is niet voldoende. Dat is het paard achter de wagen spannen: eerst gaan vissen, en daarna kijken of het wel erg is. In het beste geval kom je er dan net op tijd achter dat je over de grens bent gegaan, en moet je met heel veel moeite de zaak terugdraaien - dat alles gaat ten koste van de zee en de lokale vissers. Het Nederlandse beleid is inconsistent. Aan de ene kant probeer je de plaatselijke vissers te ondersteunen via ontwikkelingshulp, en via je eigen visserij haal je vervolgens de vis weg.”

Leen de Jong, Manager Wetlands van het Wereld Natuur Fonds: “Nederlandse reders beïnvloeden daar het ecosysteem nu enorm. De Nederlandse betrokkenheid bij wetlands in het buitenland mag niet ten koste gaan van die gebieden. Het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij zou wat een duurzame aanpak betreft de kar moeten trekken, maar komt nauwelijks verder. Er wordt druk aan schepen gebouwd, afgestemd op de West-Afrikaanse situatie. Dat past niet binnen het beleid dat Nederland pretendeert te voeren.”

Er is nog een tegenstrijdigheid waarover natuurbeschermers met opgetrokken wenkbrauwen praten. Dankzij bemiddeling van de Zeehondencrèche Pieterburen kregen Nederlandse vissers enkele jaren geleden een vergunning in Mauretanië. Nu varen Nederlandse fabrieksschepen in het territorium van de monniksrobben.

“Een deel van de Nederlandse visserij bij Mauretanië is begonnen als bilaterale overeenkomst tussen een bedrijf en een overheid”, zegt Gerard Boere van de Sectie Natuurbeheer van het Ministerie van LNV. “Als Nederlandse overheid heb je, mocht je dat willen, geen middel om daar 'nee' tegen te zeggen. Je kunt je niet met het nationaal beleid van zo'n land gaan bemoeien.”

Boere is als bioloog en diergeograaf binnen de Sectie Natuurbeheer sterk betrokken bij internationale natuurbeschermings-verdragen - vooral waar het om trekkende diersoorten gaat. “Op dit moment financieren we een groot contract met de wereldwijde organisatie Wetlands International met betrekking tot heel West-Afrika. Daarbinnen zit een reeks van projecten om elk jaar een goede vogeltelling aan de kust, inclusief de Banc d'Arguin, uit te voeren. Ik denk dat Nederland veel doet aan internationale gebiedsbescherming, meer dan enig ander land.”