De algemene gelding van CAO's

Aan het algemeen verbindend verklaren van CAO's moest in 1994 maar eens een eind komen, vond minister Zalm. Niets ervan, zei toenmalig minister Melkert. De laatste kreeg zijn zin: ondanks een duidelijke passage in het vorige regeerakkoord, gebeurde er niets. Tot vreugde van de sociale partners.

Zoals elke nieuwe minister kreeg ook Ad Melkert, de kakelverse bewindsman op het ministerie van Sociale Zaken in augustus 1994 het 'Overdrachtsdossier voor nieuwe bewindslieden'. Twee dikke mappen vormden de departementale bijbel die Melkert langs de klippen van zijn ministersschap diende te loodsen. “Het algemeen verbindend verklaren van CAO-bepalingen (AVV) staat ter discussie”, las de PvdA'er op pagina 190. AVV-en, wist Melkert, is het automatisme waarmee de afspraken die georganiseerde werkgevers en werknemers in een bepaalde branche over arbeidsvoorwaarden maken, gelden voor de totale branche. Dus ook voor werkgevers en werknemers uit die bedrijfstak die geen lid zijn van een van de organisaties van de sociale partners.

Op dezelfde pagina van het overdrachtsdossier werd ook verwezen naar de opdracht die de minister van Sociale Zaken via het eerste paarse regeerakkoord had meegekregen: de afstand tussen de laagste, in collectieve arbeidsovereenkomsten (CAO's), overeengekomen lonen en het minimumloon was te groot en moest kleiner worden. “Dit zal worden bevorderd door het niet langer algemeen verbindend verklaren van CAO's”, aldus de auteurs van het regeerakkoord. Hij was minder dan drie maanden minister toen Melkert een nota schreef met als belangrijkste zin: 'De wet op de het algemeen verbindend verklaren van CAO's wordt niet gewijzigd.' - regeerakkoord of niet.

Tegenstanders van het algemeen verbindend verklaren waren er de afgelopen vier jaar evenwel nog genoeg. Ze bevonden zich vooral in de liberale hoek en hadden minister Zalm als meest eloquente spreekbuis. Zalm nam als directeur van het Centraal Planbureau, en uit dien hoofde SER-lid, in 1992 een minderheidsstandpunt in toen de Sociaal Economische Raad op verzoek van toenmalig minister Bert de Vries (CDA) een advies uitbracht over de toekomst van het algemeen verbindend verklaren. De latere VVD-minister van Financiën, en verklaard tegenstander van PvdA'er Melkert, zag in het AVV-instrument een regelrechte belemmering en bedreiging voor een flexibele arbeidsmarkt.

In het kabinet kreeg Zalm bijval van de minister van Economische Zaken, Wijers (D66) en in de Tweede Kamer van Van Hoof (VVD, nu staatssecretaris Defensie) en Bakker (nog steeds Kamerlid voor D66). Hun argumenten tegen het algemeen verbindend verklaren zijn eenvoudig: als de CAO-partners te hoge lonen afspreken (die dus meteen gelden voor de totale branche) wordt de onderlinge (prijs)concurrentie de nek om gedraaid en kunnen nieuwe (kleine) bedrijven nauwelijks tot de bedrijfstak toetreden. Gevolg: hogere prijzen, verlies van concurrentiepositie en minder werkgelegenheid.

“Als 85 procent van de rijwielhandelaren een afspraak heeft gemaakt over de verkoopprijs”, zo luidde Zalms illustratie steevast, “dan kunt u zich niet voorstellen dat de overheid die afspraken op zou leggen aan de overige 15 procent. Juist de wetenschap dat 15 procent van de fietshandelaren vrij is, zal de overige 85 procent 'georganiseerden' ervan weerhouden het te bont te maken in hun prijszetting.” De woorden misten uiteindelijk hun effect, want Melkert gaf de voorstanders van AVV hun zin.

Die voorstanders denken sterkt te staan, want het zijn de partijen waaraan Nederland volgens velen het succes van het poldermodel te danken heeft: de werkgevers en de werknemers. “Het ter discussie stellen van AVV is gelukkig overgewaaid”, stelt vice-voorzitter K. Roozemond van vakcentrale FNV. “Samen met het minimumloon vormt het algemeen verbindend verklaren de pijler onder het poldermodel.” Naarmate meer zegeningen werden geteld van de voorheen als stroperig ervaren Nederlandse overleg-economie werd de roep om afschaffing van AVV-en zwakker. “AVV is nu geen issue meer”, meent ook T. Hokken van MKB Nederland, de werkgeversorganisatie voor het midden- en kleinbedrijf. “De hitte is er vanaf”, zegt J.W. van den Braak, secretaris Sociale Zaken van de grootste werkgeversvereniging VNO-NCW.

Voor de sociale partners staat AVV gelijk aan rust. “Als het algemeen verbindend verklaren niet zou bestaan”, legt Roozemond uit, “dan zouden veel meer kleinere partijen met elkaar onderhandelen die op de korte termijn willen scoren om hun leden tevreden te houden.” En die leden zijn alleen tevreden als de onderhandelingen een forse salarisverhoging opleveren. Het gevolg is een rampzalige ratrace. Overal worden, afhankelijk van de kwaliteit van de onderhandelaars, andere loonstijgingen afgesproken. Daardoor gaan de onderhandelingen eigenlijk continue door; iedereen wil immers op het hoogste niveau uitkomen. Door de hoge lonen is er geen geld voor zaken als scholing, verlof en kinderopvang en door het continue onderhandelen zijn bedrijven alleen nog maar dààrmee bezig in plaats van zich te richten op hun core-business.

De werkgevers zijn na aanvankelijke aarzelingen bij het SER-advies van 1992, nu ook volledig van het nut van AVV-en overtuigd - dit jaar bleek de SER unaniem pro-AVV. “In 1992 waren we nog bang dat de AVV de flexibiliteit van de arbeidsmarkt wel eens in de weg zou kunnen staan”, legt Van den Braak van VNO-NCW uit. “Maar in de afgelopen zes jaar hebben we gezien dat juist het algemeen verbindend verklaren tot grotere flexibilteit leidt. Want in CAO-onderhandelingen worden ook afspraken gemaakt over flexibiliteit, denk maar aan employability. En die flexibiliteitsafspraken worden via het AVV-en 'geëxporteerd' naar de gehele branche.”

De AVV-tegenstanders kregen de afgelopen vier jaar geen poot aan de grond, omdat de sociale partners, onder dreiging van het afschaffen van AVV, tegemoet zijn gekomen aan de eis in het regeerakkoord tot het verkleinen van de afstand tussen de laagste loonschalen en het minimumloon. Hoge laagste-loonschalen vormen immers een belemmering voor de toetreding van (langdurig) werklozen tot de arbeidsmarkt. In augustus 1994 bedroegen de laagste lonen nog gemiddeld 112 procent van het wettelijk minimumloon. Uitschieter was de bouwsector waar mensen niet werkten voor minder dan zo'n 130 procent. Vier jaar later was het gemiddelde 106,7 procent en begon het 'loongebouw' in steeds meer sectoren op het minimumloon. Daar staat overigens tegenover dat volgens de Arbeidsinspectie slechts 14 procent van de werkgevers echt gebruik maakt van de laagste loonschalen: amper 2 procent van alle volwassen werknemers werkt op of vlak onder het minimumloon.

Door de afstand te verkleinen tussen minimum- en laagste loon is voorlopig de dreiging afgewend dat het AVV-en wordt afgeschaft. “Maar welke koppeling wordt morgen gemaakt?”, vraagt Hokken van het MKB zich af. Toen in veel CAO's voorzieningen werden getroffen om het zogenoemde WAO-gat te repareren, zag het kabinet zijn beleid doorkruist om de WAO als uittreedroute af te snijden. Ook toen klonk het dreigement om het algemeen verbindend verklaren af te schaffen. “Melkert heeft de afschaffing van het AVV-en als een drukmiddel boven de markt laten hangen”, is de analyse van Roozemond. Ook in het regeerakkoord van het tweede paarse kabinet wordt uiterst omfloerst gedreigd met afschaffen van het AVV als werkgevers en werknemers tot ongewenste CAO-resultaten komen. Zo is het algemeen verbindend verklaren verworden van een instrument om de arbeidsmarkt beter te laten werken, tot een politiek drukmiddel. Het vertrouwen van politici in sociale partners is niet groot genoeg en dus heeft ook de huidige minister van Sociale Zaken, de PvdA'er Klaas de Vries, een stok achter de deur nodig.