Britse overheid exporteerde kinderen

Tot 1967 heeft de Britse overheid naar schatting 150.000 blanke kinderen uit tehuizen 'gedeporteerd' naar landen als Australië en Canada. Zij moesten de veelal blanke minderheid in het betreffende land aanvullen.

LONDEN, 8 AUG. Het gebeurt niet vaak dat Britse parlementariërs tot tranen toe geroerd raken. In juni, bij een zitting van de parlementaire commissie voor volksgezondheid, was de emotionele temperatuur echter om te snijden. Overlevenden van één van de meest onderbelichte schandalen die het voormalig imperium op zijn geweten heeft, getuigden in een commissiekamer van het Paleis van Westminster over wat hen met goedvinden van achtereenvolgende Britse regeringen was aangedaan. Inmiddels volwassen mannen en vrouwen beschreven voor de Lagerhuisleden wat voor hun het gevolg was geweest van een nooit eerder aan de kaak gesteld beleid van deportatie van tehuiskinderen uit het Verenigd Koninkrijk naar de voormalige koloniën.

Dat beleid - vooral bedoeld om de buitengewesten te bevoorraden met “white stock” - blijkt te hebben bestaan tot 1967. Pas nu heeft de Britse regering voor het eerst willen erkennen, dat er voor de slachtoffers van deze ongewilde deportatie misschien iets gedaan moet worden. De betreffende Lagerhuiscommissie diende vorige week bij de regering een rapport in met het resultaat van haar onderzoekingen. Het rapport adviseert tot ten minste “een formele erkenning van de wandaden die deze mensen zijn aangedaan” en stelt financiële hulp voor. De minister zal er “serieus” naar kijken.

Formeel strekt het onderzoek van de commissie zich uit over de volle 300 jaar, waarin naar schatting 150.000 kinderen uit weeshuizen en kindertehuizen werden afgevoerd naar vooral Australië, Nieuw Zeeland, Canada, Zuid-Afrika, Rhodesië en het Caraïbisch gebied. De commissie constateert dat tot 11 procent van de hedendaagse bevolking van Canada, waar aan de praktijk pas vlak voor de Tweede Wereldoorlog een eind werd gemaakt, rechtstreeks van deze gedwongen “immigranten” moet afstammen.

De schrijnendste - want meest recente - bevindingen komen uit Australië en Nieuw-Zeeland, waar in de jaren tussen 1947 en 1967 10.500 kinderen uit Engeland arriveerden. De organisaties die deze deportaties uitvoerden waren instanties met eerbiedwaardige namen: Barnardo, Leger des Heils, Katholieke Raad voor Kinderbescherming en Nationale Kindertehuizen. Voor hen was het lozen van grote hoeveelheden kinderen, om wie de ouders zich niet wilden of konden bekommeren, een financiële opluchting, al geloofde een enkeling ook werkelijk dat een kind een betere toekomst tegemoet kon zien in een ver land.

Voor de desbetreffende overheden was het aanvullen van de veelal blanke minderheid in een omgeving gedomineerd door “zwarte en Aziatische rassen” een welkome hulp. En wat de kinderen en hun families zelf betreft: de kinderen werd verteld dat hun ouders dood waren. De ouders kregen te horen dat hun kind was geadopteerd, ergens in Engeland.

Wat niemand vertelde of scheen te willen weten, was het feit dat de meeste kinderen een ellendig leven tegemoet gingen. Getuige na getuige vertelde voor de Lagerhuiscommissie hoe zijn schip met kinder-immigranten na drie weken op zee in Fremantle arriveerde, aanlandingspunt van wat de oudere kinderen in Engeland nog als “een soort paradijs” was voorgehouden: “Iedereen ging daar te paard naar school en aan elke boom groeiden vruchten. Dat leek ons beter dan Swansea! Toen ze vroegen wie er naar Australië wilde, staken we allemáál onze hand op!”

De werkelijkheid bleek anders. In scènes die nu herinneren aan de selectieprocedures voor de vernietigingskampen “werden we meteen in groepen gesorteerd. Op vriendschappen of familiebanden werd geen enkele acht geslagen. Nog hoor ik het wanhopige huilen van broers en zusjes die daar op de kade van elkaar werden gescheiden,” aldus de inmiddels 62-jarige John Hennessey in juni tegen de commissie.

De selecteurs op de kade waren in veel gevallen paters van de katholieke Orde van Christian Brothers, die in Australië honderden weeshuizen onder hun beheer hadden. Nu pas is aan het licht gekomen dat de broeders daar op ongekende schaal geweld bedreven. Kinderen werden geschopt en geslagen en onderworpen aan seksueel misbruik. Eén getuige sprak van een weddenschap tussen paters waarbij het er om ging een bepaald kind als eerste honderd keer verkracht te hebben. In het algemeen werden kinderen meteen aan het werk gezet: huishoudelijk werk voor de meisjes, wegaanleg voor de jongens. Wie de leeftijd van 16 jaar bereikte, werd zonder enige documentatie en zonder enig geld buiten de deur gezet. Wie werk zocht kwam nauwelijks aan de bak: geen papieren. Voor de Australische wet waren deze mensen geen Australiërs, voor de Britse overheid waren ze geen Britten. Geboortepapieren waren vaak vervalst of vernietigd. “We wisten letterlijk niet wie we waren”, zei één van de overlevenden van deze behandeling.

Het lot van deze groep kinderen kreeg in Groot-Brittannië pas bekendheid toen een sociaal werkster zich ging inzetten om gedwongen kinderimmigranten te helpen hun wortels te ontdekken. Deze Margaret Humphreys richtte de Child Migrants Trust op en schreef in 1994 een boek (De lege wieg) over de deportatie. Dankzij haar werk hebben er in de laatste jaren een aantal min of meer geslaagde herenigingen plaats gehad van nu middelbare mannen en vrouwen met hun bejaarde ouders en verdere familie. Het Lagerhuislid David Hinchcliffe, ook al een voormalig sociaal werker, probeerde in 1993 vergeefs de toenmalige regering te interesseren voor het onrecht dat al deze families was aangedaan. Pas nu, na een fact-finding mission van 9 Lagerhuisleden naar Australië en Nieuw Zeeland vorige maand, lijkt het erop dat de Britse overheid zich iets gelegen wil laten liggen aan deze onderdanen.

De kinderbeschermingsorganisate Barnardo heeft al eerder schuld bekend en volmondig toegegeven dat het beleid fout was. Zij zet jaarlijks 600.000 pond opzij om de vervreemde kinderen uit haar bestand financieel te steunen bij het reconstrueren van hun verleden en het bewerkstelligen van een familiehereniging, maar dat bedrag is bij lange na niet genoeg. Roger Singelton, de topman van Barnardo, de organisatie die tussen 1882 en 1965 33.000 kinderen tussen de 4 en 17 jaar oud deporteerde, zegt dat het hele verhaal hem een waarschuwing lijkt tegen een beleid dat kinderen uit hun eigen land weghaalt. Hij hoopt dat het Lagerhuis-rapport ook die mensen aan het denken zet die pleiten voor het adopteren van weeskinderen uit landen in Oost-Europa. “Als we die kinderen willen helpen, moeten we ze misschien niet hierheen halen, maar ze helpen in hun eigen land. Sommige kinderen die hierheen zijn gehaald zullen straks vragen hebben over hun eigen ouders en hun eigen herkomst.”