Willem Bilderdijk ontmanteld; Achterstevoren de toekomst in

Joris van Eynatten: Hogere sferen. De ideeënwereld van Willem Bilderdijk (1756-1831). Verloren, 768 blz. ƒ 120,-

Geen dwaling, of er ligt een waarheid in (Lactantius).

Ik heb U te liever om Uw dwalingen (Multatuli).

Gewoonlijk wordt Multatuli de eer gegund definitief de kachel te hebben aangemaakt met het werk van Willem Bilderdijk, door de manier waarop hij het treurspel Floris V (1808) fileerde. Ook Bilderdijks heldenepos Ondergang der Eerste Waereld (1820) werd door Multatuli gekraakt. 'Zotte conceptie, platte opvatting, manke gang, verschrompelde denkbeelden, onhandige tekening, gebrekkige dictie, mislukte verhevenheid, verknoeide taal.'

Het kan niet vernietigender, zou je zeggen. Toch blijkt dat te kunnen. Waar Multatuli zich ongetwijfeld vanuit praktische overwegingen beperkte tot twee dichtstukken, werkte Joris van Eijnatten zich door al Bilderdijks 300.000 versregels en ontelbare prozastukken heen, voor zijn 'intellectuele biografie' Hogere sferen. De ideeënwereld van Willem Bilderdijk (1756-1831). Het is een ontluisterend boek geworden over het gedachtengoed van de in de negentiende eeuw onmatig bewierookte dichter/wetenschapper/denker/gelover.

Bewonderd werd hij, in kleine kring, nog tot ver in onze eeuw. Zo sprak nog in onze jaren dertig de calvinist Rudolf van Reest, in diens levensbeschrijving Een onbegriepelijk mensch, de meester aldus toe: 'Er is diep geploegd in je levensakker, Bilderdijk! De voren zijn wel heel lang getogen. Menschen en duivelen hebben er in geploegd en je hebt het uitgeschreeuwd van pijn en weedom. Maar het ploegijzer moest immers zoo diep gesteld voor zoo kostbaar een graan dat gestrooid moest worden?'

Zo kostbaar een graan... Van Eijnattens Hogere sferen laat er aar noch korrel van heel. Wat er na krap zevenhonderd bladzijden nog aan oogstgevoel over is, wordt in een slothoofdstuk getiteld 'Grootheid?' tot zeer fijn stof vermalen.

Zoals het lange tijd onmogelijk is geweest over Multatuli te schrijven zonder hartstochtelijk stelling te nemen in de discussie rond persoon en werk, zwermt het ook in de Bilderdijk-literatuur van de partijgangers. Wat Multatuli voor vrijdenkers en socialisten was, was Bilderdijk voor gereformeerden, hervormden, zelfs voor katholieken: een bijna heilige leidsman waar niemand aan mocht komen. Zelfs de anders kritische calvinistisch voorman Abraham Kuyper schreef een regelrechte hagiografie: Bilderdijk in zijne nationale beteekenis (1906).

Dat biograaf Van Eijnatten zijn vermorzelende ideeënanalyse uitgerekend vanuit het grijze beton van de oorspronkelijk calvinistische Vrije Universiteit in Amsterdam (met in haar catacomben het Bilderdijk-museum) het licht in heeft gezonden, betekent niets minder dan vadermoord.

En die moord wordt niet bepaald zachtzinnig gepleegd. Van Eijnatten zwavelt Bilderdijk de Vrije Universiteit zo ongeveer uit. Wat gaande de talloze bladzijden van zijn boek al onomstotelijk lijkt (zotte conceptie, platte opvatting, manke gang, verschrompelde denkbeelden, onhandige tekening, mislukte verhevenheid) wordt in het genoemde slotkapittel met zuur, peper en chloor grondig nabehandeld.

Bilderdijk als voorvechter, emancipator, denker en wetenschapper - hij is dood en zal nooit wederkeren. Over de mens Willem Bilderdijk spreekt Van Eijnatten met nauwelijks verholen morele ergernis. Meestal subtiel, soms iets minder subtiel, in bijzinnetjes.

Door deze persoonlijke toon past Van Eijnattens biografie weliswaar in de enorme hoeveelheid geschriften pro en contra Bilderdijk, toch is Hogere sferen een eenmalig, diepgravend, onthutsend erudiet, helder boek. Even zo zwavelend en moordend mag deze biograaf wat mij betreft op Multatuli als intellectueel losgaan. Want de manier waarop hij uit alle paradoxen, tegenspraken, uit de regelrechte chaos in hoofd en hart van Bilderdijk en zijn geschriften weet te bewijzen dat diens lijfspreuk semper idem ('altijd zichzelf gelijk') wel degelijk opgaat, is ronduit voorbeeldig.

Bilderdijk achtte zichzelf bekwaam in logica, metafysia, wiskunde (geometrie, landmeetkunde, etc.), psychologie, mechanica, astronomie, aardrijkskunde, scheikunde, ethiek, theologie, boekhoudkunde, geneeskunde (anatomie, pathologie, enz.), recht (natuurlijk, publiek, Romeins, feodaal, etc.), esthetica, retorica, het schrijf- en dichtersvak, letterkunde, graveer-, teken-, en schilderkunst, calligrafie, architectuur, antiquiteiten, geschiedenis (literatuur-, algemene, enz.) diplomatie, heraldiek, krijgskunde, grammatica en klassieke talen - naast Arabisch, Hebreeuws en Perzisch en alle moderne talen.

Hakhout

Niet al deze vakgebieden worden door Joris van Eijnatten even uitgebreid besproken, maar Bilderdijks (uiterst bescheiden) bijdragen aan de verschillende disciplines weet hij op ongeëvenaarde wijze te plaatsen in de stand van wetenschap rond 1800. En als het gaat om een zo mogelijk nog ondoordringbaarder hakhout - Bilderdijks hoogstpersoonlijke amalgaam van religieuze, filosofische en theosofische overtuigingen - dan weet Van Eijnatten waar hij het over heeft.

Het valt niet mee zijn gang altijd te volgen. Die voert langs wolffianisme, malebranchisme, naturalisme, stoïcisme, christelijke theosofie, coccejanisme, trinitarisme, neoplatonisme, kabbalisme, onomantie, rationele orthodoxie, piëtisme, quiëtisme, alchemie, nigromantie, fysiognomie, rosicrucianisme, esoterisch conservatisme, monadologie, sabellianisme, chiliasme, sebastianisme, epicurisme, neologie, preformisme, traducianisme, somnabulisme, mesmerisme, euhemerisme - ik geef maar een indruk. Overal echter komt Van Eijnatten weer op de twee benen van Bilderdijks semper idem terecht.

Het mag dan een vreemde fantast zijn geweest, hij is inderdaad zichzelf gebleven en 'onbegriepelijk' is Bilderdijk beslist niet.

Wie Bilderdijk in zijn tijd plaatst, ziet hem omkijken en de blik op God in den Hoge richten. Wat er naast hem gebeurt lijkt hem te ontgaan, over de toekomst spreekt hij zelden. Eerder nog lijkt Bilderdijk in de tijd verdwaald. Als je zijn opvattingen wilt samenvatten, zegt Van Eijnatten, komt je uit op een combinatie van Augustinus, Romeinse opvattingen over aristocratie en eer, en een christelijke theosofie die maar niet verder wil komen dan de vroege achttiende eeuw.

Bilderdijk was dus streng conservatief, en ondanks alle gevoel in zijn verzen is nergens sprake van de Romantische gevoelsuitstorting zoals je die bij tijdgenoten als Schiller of Lessing aantreft. Op veel plaatsen merk je dat de biograaf in Hogere sferen zich afvraagt hoe het toch mogelijk is dat een allesverslindende, erudiete lezer als Bilderdijk zo de aansluiting bij zijn tijd heeft kunnen missen. Ik moet me daarbij sterk vergissen als het Van Eijnatten ook niet een beetje spijt dat Bilderdijk zijn eclectische talent niet heeft ingezet om het denken van zijn tijdgenoten vooruit te combineren, in plaats van achteruit. Hij had in hem zo graag onze eigen Goethe gezien, in plaats van een lamme duizendpoot.

Bilderdijk geloofde dat de mens sinds de zondeval steeds dieper was gezonken, een neergang die nog steeds aanhield. De eerste wereld ging ten onder, maar er was nog een tweede, onstoffelijke zielenwereld. We zien in zijn werk voortdurend esoterische elementen als inwendig licht, goddelijke vlam, of oerkennis terugkeren, waarvan hij de resten in de vervallen mens wil opsporen. Niet ieder mens echter is gelijk. Van Cicero leende Bilderdijk bijvoorbeeld een intense hekel aan kooplieden. Gelukkig waren er aristocraten, waaronder Bilderdijk zelf.

Hoe groot zijn ars combinatoria was, valt af te lezen aan de wijze waarop hij zichzelf van een adelijke stamboom voorzag, teruggaand tot de zevende eeuw: Bilderdijk was 'Heer van Teisterbant'. In hem waren wortels achtergebleven van de oorspronkelijke edelheid, door God aan de mens geschonken. Zelfonderzoek was geboden, en daarbij hielp Augustinus. Bilderdijk moet wel iets in hem hebben herkend. Het tobberige, zelfkwellende peilen van de eigen ziel in het hoofdstuk van de Confessiones dat de bisschop van Hippo wijdt aan een jeugdige diefstal van peren, vinden we bij Bilderdijk terug. De ontboezeming gaat bij Bilderdijk wel anders in zijn werk. Met name als het gaat om het gemoed dat moet worden uitgestort, verwoordt de getergde dichter dat vaak zo fysiek dat men geneigd is 'zaad' in plaats van 'taal' te lezen. Bilderdijks ziel was een vat dat vaak te vol was en overliep - ook zijn fysiek moet herhaaldelijk naar krachtig en bewogen ontlading hebben gesnakt.

Lust

Zoals het overal in Bilderdijks poëzie galmt en bliksemt, gaat het het er ook in zijn liefdesgedichten vurig en vlammend aantoe. Hartstocht echter verlaagt de mens niet, zegt de dichter. Het gaat om grootheid van de ziel: 'Maar was des ridders houding ruw/ Zijn boezem had gevoel.'

Een deugdzaam hart kan, terwijl het wellustig klopt, 'Gode in de omhelzing van een schone de zuiverste hulde doen'. Lust gerechtvaardigd door het oog naar God te richten.

Bilderdijk had als mens ook wel iets te rechtvaardigen. Hij had zijn eerste echtgenote verlaten. Uit zijn brieven begrijpen we waarom: ze kwam de warmbloedigste onder de huwelijkse plichten niet na, Bilderdijks vat liep kokend en bruisend over. Gek genoeg heeft Bilderdijk - hij schreef ze bij wijze van spreken op de van gevoelvolle, door God gezegende uitstorting nog nahijgende borst van zijn geliefde - zijn vrouw lange tijd gevraagd zich in zijn buitenlandse ballingschap bij hem te voegen. Waarom? Hij was dol op zijn veel jongere vrouw. Waarschijnlijk omdat hij zich schuldig voelde. Ik ken meer mannen die in zulke situaties zulke brieven sturen.

Toch zou Bilderdijk Bilderdijk niet zijn als hij zich niet los zou weten te dichten van zijn huwelijkse banden: 'De echt bestaat niet, dan in de verknochting des harten.' Zo kon hij verder met zijn jonge schone. Niet langer hoefde hij vruchteloos te pogen 'de dierelijken tocht op de echtkoets te koelen', nu werd 'heel 't bestaan in zaligheid verslonden'.

Bilderdijk mag dan volgens ideeënbiograaf Van Eynatten weinig kostbaar graan hebben voortgebracht, zijn gloedvolle liefdesverzen staan als glanzende halmen, wuivend op de akker. Bilderdijks taal alleen al - maar dat geeft Joris van Eynatten ook zelf toe - is een schier onuitputteljke bron van retorisch genot.

Er is zo toch iets dubbels aan de manier waarop deze biograaf zijn onderwerp waardeert. Zijn analyse van Bilderdijks ideeënwereld is vernietigend. Als hij zegt dat die wereld allerminst een brug naar de toekomst vormde (en er aan toevoegt dat Bilderdijks bedoeling ook was een brug naar het verleden te slaan, de tijd waarin de mens zijn twee werelden, de stoffelijke en de onstoffelijke, nog kende) vraag je je meteen af of er geen andere invalshoek is, die Bilderdijks werken en streven meer recht doet.

Je kunt niet anders dan constateren dat Joris van Eynattens appreciatie van Bilderdijks sterke kanten (zijn werk biedt een 'met dichterpracht en woordenpraal rijk versierde poort naar het verleden') ondergesneeuwd raakt door zijn haarscherpe uitbenen van een gecompliceerd ideeëncorpus, alles in het polemische licht van wat Bilderdijk voor zijn toekomst betekende. Al is het is na lezing van Hogere sferen niet moeilijk de biograaf hartgrondig bij te vallen in diens oordeel dat het niet veel soeps was.

Wie echter in genoemde poort blijft stilstaan ziet wat anders. Inderdaad: het is geen ontwerp van een voorganger, met wie men vol vertrouwen, hand in hand de toekomende tijd inwandelt. En ook voor de gang naar het verleden is Bilderdijks werk een hoogst eigenaardige, hoogst persoonlijke en volstrekt onbetrouwbare leidraad. De weg naar God, bovendien, leg ik liefst af zonder Willem Bilderdijk.

Maar die poort blijft prachtig. Het is een enorm, uitbundig versierd bouwwerk, opgetrokken door een hartstochtelijke dilettant, briljant in de duizenden details die alle, naar we nu weten, vanuit dezelfde gedachten zijn gevormd, maar dat als geheel alle bouwkundige beginselen aan zijn laars lapt.

Het einde van de zeventiende en het begin van de achttiende eeuw is een tijd waarin met nieuw elan, op de ruïnes van een bestaan met God als middelpunt, is begonnen aan het ontwerp van een nieuwe wereld. Het is één grote, borrelende reageerbuis waarin de vreemdste verbindingen zijn ontstaan. Bilderdijk stond in díe tijd, in plaats van in zijn eigen, en ontwierp met de niets ontziende moed van de dilettant een eigen reactionaire poort naar het bestaan, met een christelijk-theosofische God als middelpunt. Een poort met het uiterlijk van het Palais Idéal.

Over een van de vele achttiende-eeuwse theoretici, de Engelsman Woodward, die zich wierp op de aloude vraag waar al het zondvloedwater vandaan kwam en uiteindelijk ook weer is gebleven (natuurlijk had ook Bilderdijk daar een eigen theorie over), is wel gezegd dat hij de gave had uit de meest gewone gegevens de minst waarschijnlijke conclusies te trekken.

Voor Bilderdijk gaat hetzelfde op. Als echte dilettant hield hij zich overal tegelijk mee bezig - logica, metafysia, geometrie, landmeetkunde, psychologie, mechanica, astronomie, aardrijkskunde, etcetera - en de wilde theorieën zijn niet van de lucht. Verrukkelijke denkbeelden over de 'hyperboreeërs' (het noordelijke volk waaraan de Grieken zouden zijn ontsproten), de Nederlandse taal (bij uitstek de tongval waarin de paradijselijke oertaal behouden bleef), de invloed van bijvoorbeeld Sarturnus op het innerlijk gemoed, de authentieke adel der Schotten, enzovoort.

Ongeleid projectiel

Een hoop schitterend verwoorde denkbeelden - maar niet allemaal onzin. 'Geen dwaling, of er ligt een waarheid in', schreef Lactantius. Dat is misschien in Bilderdijks geval wat sterk uitgedrukt. Toch duikt in de tegenwoordige gedachtenvorming over de zondvloed (in toenemende mate wordt aangenomen dat een dergelijke vloed in werkelijkheid heeft plaatsgevonden) een gedachte op, die ook door Bilderdijk wordt uitgedragen. De stand van de aardas zou abrupt zijn veranderd, waardoor de hele waterhuishouding op aarde in het ongerede werd gebracht. Volgens Bilderdijk zou zich op een gegeven moment een grote hoeveelheid zware stof op een bepaalde plek hebben opgehoopt. Recente theorieën verklaren een eventuele zondvloed door een plotselinge verandering in de stand van de aardas na gedurig aanwassen van een ijskap, die op een gegeven moment te zwaar werd en de aarde uit het lood bracht en daarmee een enorme watervloed veroorzaakte.

Bilderdijk was een ongeleid projectiel, dat achterstevoren de toekomst in schoot. Joris van Eynatten heeft dat projectiel definitief ontmanteld, door Bilderdijk te laten zien zoals hij was: een onvermoeibare dilettant, een rustloze zoeker, een consequent (ver)dwalend denker.

Maar in dat dwalen, juist in Bilderdijks zotte conceptie, in zijn platte opvattingen, in de manke gang van zijn verschrompelde denkbeelden en zijn mislukte verhevenheid, in de schitterende taal bovendien waarmee hij dat alles verwoordde, daarin kunnen we nog lang van hem blijven nagenieten.