Versleten spreeuwen

Hèhè, het zit er al weer bijna op voor de spreeuwen. Deze is er maar eens bij gaan zitten, terwijl z'n jongen verderop om voedsel krijsen. Vanaf het vroege voorjaar, toen het broeden begon, heeft hij in de bodem gewroet. Naar wormen, insecten en naar larven van insecten.

Eerst om zelf in goede conditie te komen voor het broedseizoen. Toen om de jongen in het nest te voeren. Met wel vierhonderd af-en-aan vluchten per dag. Daarna samen met zijn jongen rondvliegend van grasveld naar grasveld, ze steeds maar weer een snavel vol eetbaar spul voorhoudend. Misschien heeft hij nu al twee nesten grootgebracht. En wat krijg je van als dat gezoek en gepor in de grond? Je slijt ervan.

Op zijn punk-kuif na heeft deze spreeuw een bijna kale kop. Je ziet dat een spreeuw onder zijn veren erg lijkt op een kale soepkip, zoals het hulpje van heks Eucalypta in Paulus de Boskabouter. En je ziet ook dat spreeuwen een goed uitzicht hebben op de punt van hun snavel. Zodat ze niet alleen voelen, maar ook zien wat ze daarmee doen. Ook in het gras. Dan maken ze speciale kijkgaten. Voordat ze werkelijk in de grond happen, steken ze hun snavel tussen het gras en sperren die dan even helemaal open. De grond en de wortels van het gras duwen ze zo een stukje opzij. Domme spreeuwen zie je ook wel proberen om in asfalt of stoeptegels zulke kijkgaatjes te maken.

Op een grasveld kijken ze naar wat er in dat zelf gemaakte gaatje beweegt - en happen toe. Desnoods behoorlijk diep, waarbij hun lage voorhoofd net zo makkelijk de grond ingaat als hun snavel. Alleen die veertjes erop - die kunnen daar, na honderden keren per dag, niet zo goed meer tegen.

Het voordeel van een afgesleten spreeuw is dat je goed kunt zien hoe groot die snavel en mond eigenlijk zijn - de mondhoek zit zo'n beetje onder het oog. Er gaat heel wat in een spreeuwenbek. En, gelukkig voor de jongen, komt er ook heel wat uit. Veel van de jonge, nog helemaal bruine spreeuwen die je nu ziet rondlopen, kunnen eigenlijk al goed zelf voedsel zoeken. Maar ze houden er meteen mee op wanneer ze hun ouders met een hapje zien. Dan beginnen ze onbeholpen te krijsen, alsof ze bijna verhongerd zijn en zelf nog niks kunnen. Zo krijgen ze een maaltijd van hun ouders. Dat is nou eenmaal makkelijker dan zelf zoeken.

Jonge vogels zijn oplichters, en hun ouders slijten daarvan. Maar die ouders zijn ook niet gek. Veel vogels laten hun jongen steeds langer bedelen en achter zich aan lopen en vliegen voordat ze een hapje krijgen. Die moeite wordt zo groot, dat de jongen dan maar net zo lief zelf de snavel in de grond steken. En dan kunnen de ouders ook eens rustig zitten, en de wind om hun kale kop laten spelen. Maak je geen zorgen: aan het eind van de zomer krijgen ze nieuwe veren, dus ze gaan met een warme kop de winter in.