Uit het massagraf der afgeschrevenen; Vergeten Duitse dichters

Jürgen Serke: Zu Hause im Exil. Dichter, die eigenmächtig blieben in der DDR. Piper Verlag, 475 blz. ƒ 67,85

Er zijn zoveel schrijvers die wij niet kennen. Ook goede schrijvers kunnen plotseling in vergetelheid raken. Zij worden doodgezwegen of doodgemaakt en hun namen verdwijnen uit de literatuurgeschiedenisboekjes.

Voor die verdwenen schrijvers zet Jürgen Serke zich in. Die verbrannten Dichter uit 1977 was een pleidooi voor eerherstel van auteurs die sinds hun verdrijving uit het Derde Rijk ook uit de canon waren verdreven. Serkes even hartstochtelijke als zorgvuldig gedocumenteerde schrijversportretten maakten zoveel los dat sommige van die verdrevenen en vervolgden, ofschoon allang vergast of anderszins gesloopt, alsnog hun comeback beleefden. Dat het lang veronachtzaamde oeuvre van Irmgard Keun, Hans Henny Jahnn en Ernst Toller nu weer breeduit in de (Duitse) boekhandels ligt is voor een groot deel te danken aan de speurzin van Jürgen Serke.

Voor zijn nieuwe boek Zuhause im Exil daalde Serke wederom af in het massagraf der afgeschrevenen en hij kwam boven met een oogst van vijftien dichters van wie maar enkele namen mij bekend in de oren klonken. De naam Inge Müller bijvoorbeeld.

In 1966 stak de toen 41-jarige Inge Müller haar hoofd in een oven. Met dodelijke afloop, zoals door haar gewenst. Haar echtgenoot Heiner Müller schreef over die daad een paar mooie drama's. In Literatur der DDR, iets meer dan twintig jaar geleden uitgegeven door het Volkseigener Verlag Volk Und Wissen Berlin, vind je niets over Inge Müllers zelfmoord want zo'n opmerking zou vloeken met het officiële DDR-optimisme. Wel vermeldt het lexicon tussen haakjes Inge Müllers medewerking aan de vroege toneelstukken van Heiner Müller.

Aanpassing

Inge Müller leefde in de schaduw van haar man. Een traditioneel vrouwenlot, maar des te bitterder in een maatschappij die de gelijkwaardigheid der seksen hoog in haar vaandel had staan. Inge, schrijft Jürgen Serke, was het erotiserende middelpunt van door Heiner georganiseerde feestjes. Dat zij ook een dichteres was van formaat, wilde Heiner niet weten. Volgens Serke verschanste Heiner zich achter grootspraak en cynisme, terwijl Inge noch in haar werk noch in haar leven maskerades kende. Serke, ietwat pathetisch: 'Inge Müller is geen heilige. Maar ze blijft in haar eigen waarheid'. En hij citeert het begin van haar gedicht Europa: 'In den Gaskammern/ erdacht von Männern/ die alte Hierarchie/ Am Boden Kinder/ Die Frauen drauf/ Und oben sie/ Die starken Männer:/ Freiheit und Democracy./ Ein Blick von einer Macht zur/ anderen Macht./ Von einer Nacht in die andere/ Nacht...'

Niet alleen in nazi-Duitsland maar ook in de DDR strijden de mannen tegen de vrouwen en de sterken tegen de zwakken: Inge Müller dicht daar steeds weer over en het levert haar de reputatie van getiktheid op. Inge Müller is gek, dus hoeft de staat haar niet serieus te nemen. Inge Müller houdt van harmonicaspelen en dansen; haar leven is één grote danse macabre, die overslaat op anderen: de psychiater die haar behandelde volgde haar voorbeeld en sloeg de hand aan zichzelf. Hij lag, schrijft Serke, net als zijn patiënte hopeloos overhoop met de in zijn land heersende huichelarij.

Eigenlijk geldt dat overhoopliggen voor alle schrijvers aan wie Jürgen Serke aandacht besteedt. Serkes helden en heldinnen doen niet mee aan de collectieve verdringing van de staatsbekrompenheid, staatsdomheid en staatsterreur. Zij proberen integer te blijven en betalen daarvoor een hoge prijs.

Ook Theo Harych maakte een eind aan zijn leven. Hij was 54 en had genoeg van het geknoei door anderen aan zijn romans en zijn ziel. Zijn autobiografische roman Im Geiseltal uit 1952 ging over een arbeidersopstand in de jaren twintig aangevoerd door de historische figuur Max Hoelz. Hoelz handelde volgens het motto: 'De rijken hun geld afpakken en alles kort en klein slaan.' Alle passages over Max Hoelz werden uit Harychs roman geschrapt: zo'n anarchistische hoofdpersoon vond de censuur al te schadelijk voor de lezers. De derde autobiografische roman van de weggelopen boerenknecht Theo Harych verscheen helemáál niet. Van een Oostberlijnse redacteur kreeg hij de volgende brief: 'Wat mij aan jou bevalt is dat jij je altijd verzet als jou onrecht wordt aangedaan, om het even of je daarbij aan het korste eind trekt of niet. Je vecht echter helaas alleen voor jezelf, en dat is jouw zwakke punt. Het komt door een ontbrekend bewustzijn van jouw verbondenheid met de arbeidersklasse.' In het voorwoord noteert Jürgen Serke: 'Deze schrijvers schreven een dichtwerk over het te-gronde-gaan. Aan het te-gronde-gaan ontleenden zij hun gevoel voor eigenwaarde.' De sociale verliezers zijn voor Serke de morele winnaars, en wegens die laatste kwaliteit, suggereert hij, zouden zij ons tot voorbeeld kunnen dienen. Maar wíllen wij die treurige biografieën wel navolgen? Schrijven voor de bureaula omdat je boeken niet of alleen in gemanipuleerde vorm mogen verschijnen; succes, erkenning en welvaart aan jouw neus voorbij laten gaan; lijden onder zwaar gefrustreerde ambities: het is geen kattenpis.

Wie verstandig is past zich aan - maar, het is waar, ook aanpassing heeft haar prijs. DDR-schrijfster Brigitte Reimann bijvoorbeeld, zo blijkt uit haar onlangs gepubliceerde dagboeken, liet zich willig gebruiken: zij, rebels vooral in haar liefdesleven, draafde maar wat graag op voor interviews met sceptische journalisten uit het Westen aan wie de DDR wel eventjes wilde laten zien wat voor moderne vrouwen zij in huis had. De keerzijde van de medaille was dat Reimann haar denken naar dat van haar broodheren richtte en een middelmatig schrijfster bleef die haar teleurstelling daarover moest blussen met liters alcohol.

Op den duur gaan we allemaal te gronde, met of zonder principes, dat maakt op zichzelf weinig uit. Maar Jürgen Serke bedoelt natuurlijk dat de principiëlen en onaangepasten betere mensen zijn. En daardoor betere schrijvers, want kunst en moraal kun je volgens hem niet van elkaar scheiden. Het is inderdaad onzinnig om uitsluitend de vorm van een kunstwerk te beoordelen en de inhoud, de intenties, buiten beschouwing te laten. Maar het probleem bij het beoordelen van de kunst in Serkes bundel is dat we inhoud en intenties grondig leren kennen, terwijl de vorm mistig blijft. De meeste boeken die Serke bespreekt zijn niet of alleen antiquarisch verkrijgbaar en zijn citaatkeuze beperkt zich tot hier en daar een gedicht. Niet elk losstaand gedicht raakt het hart en bij de toneelschrijvers, van wie er ook een paar worden besproken, ligt de zaak bij gebrek aan citaten nog moeilijker.

Zo bezit de toneelschrijver Georg Seidel, als we Serke mogen geloven, 'Büchnersche Qualität'. Een compliment van jewelste, want de stukken van de negentiende-eeuwer Georg Büchner zijn niet stuk te krijgen. Het is de vraag of ook maar één stuk van zijn naamgenoot Georg Seidel, gestorven in 1989, in de volgende eeuw ergens op het speelplan zal prijken. Zijn dramatische werk verscheen pas na zijn dood, in één deel bij een kleine West-Duitse uitgeverij, en resonans heeft het amper gekregen. Behalve van Jürgen Serke.

Sukkels

Het is irritant om zulke uitgesproken opinies te lezen terwijl je er niet over kunt meepraten omdat het boek niet te vinden is. Irritant maar ook intrigerend. Hoe meer onbekenden je in Serkes bundel ontmoet, des te meer ga je zijn pionierswerk bewonderen. Zijn onvermoeibare zoektocht naar literaire slachtoffers van de DDR-dictatuur doet mij denken aan een foto van Inge Müller. In de ruïnes van het platgebombardeerde Berlijn verzamelt zij gave stenen. Ook Serke, die de foto in de bundel opnam, heeft rondgewroet in ruïnes. Hij bezocht een kapot landschap met wrakkige oude mensen. Kapot waren zij, de in de DDR gebleven schrijvers die nog niet in hun graf mochten rusten. Serke sprak met hen en met hun partners, kennissen, collega's en kinderen. Vooral die kinderen oordeelden vaak bikkelhard over hun schrijvende ouder. 'Schrijvers, wat heb je daaraan?', vraagt de zoon van Manfred Streubel zich af. 'Schrijvers, dat zijn gewoon sukkels die van alles een puinhoop maken.'

Jürgen Serke bevestigt die boude uitspraak en weerlegt hem tegelijk. Want Serke, van huis uit journalist, is zèlf schrijver, en wel precies zo een als het type dat hij protegeert. Serke is melancholiek en klagerig, getraumatiseerd door een in zijn kindertijd ondergane dictatuur, niet die van Ulbricht of Honecker weliswaar maar wel van Adolf Hitler. Hij is in het Oosten geboren, getekend door de Duitse deling en bezeten van een socialistisch ideaal dat misschien ooit in vervulling zal gaan. Hij heeft zelfs precies zoals de meeste door Christian G. Irrgang gefotografeerde mannen in de bundel een volle, warrige baard. Vast en zeker heeft Jürgen Serke net als die andere baardige mannen een puinhoop van zijn privéleven gemaakt. Maar niet van zijn boek.

Dat vertoont ondanks de verschillen tussen de vijftien hoofdpersonen een wonderbaarlijke eenheid, gesmeed door het verdriet van de auteur.