Twee lampen

Als de eekhoorn twee lampen had, dacht de olifant op een keer, zou ik dan aan die andere lamp mogen slingeren als ik met de ene lamp op de tafel was gevallen en de lamp en de tafel en de stoelen en het bed en de kast en alle kopjes en borden en potten beukennotenhoning waren gebroken? Zou de eekhoorn dat dan goedvinden?

Hij wist dat niet. Maar hij was daar zó nieuwsgierig naar dat hij een brief aan de eekhoorn begon te schrijven:

Beste eekhoorn

Als je twee lampen had

Nee, dacht hij toen. Ik moet dat niet schrijven. Hij schoof de brief opzij. Ik moet dat de volgende keer vragen, dacht hij. Gewoon vragen. Dan kan ik er ook bij zeggen: misschien is één lamp wel wat weinig, eekhoorn...

Hij knikte. Eerlijk antwoorden, eekhoorn, zal ik zeggen. Beloof je dat?

Hij knikte opnieuw, klapperde met zijn oren en zwaaide vrolijk met zijn slurf heen en weer, want hij kende de eekhoorn. Als iemand de eekhoorn kent dan ben ik het wel, dacht hij.

Hij sprong hoog op, stootte zijn hoofd en holde naar buiten om in de eerste de beste boom te klimmen en bovenin op één been te staan en een kleine pirouette te maken en net nog tijd over te hebben om te kunnen roepen: 'Mag het?'

En vanuit de top van de beuk zou de eekhoorn net nog terug kunnen roepen: 'Ja! Het mag!'

Hij zette zijn linker voorpoot op de onderste tak van de linde.

Alles was mogelijk. Alles mocht.