Smaak van armoede

Andrea Ashworth: Eens in een brandend huis. Uit het Engels vertaald door Molly van Gelder. Anthos, 332 blz. ƒ 39,90

In haar autobiografische roman Eens in een brandend huis vertelt Andrea Ashworth over haar kindertijd in een volkswijk in Manchester in de jaren zeventig en tachtig. In een ogenschijnlijk ongepolijste stijl die goed aansluit bij het volkse milieu waarin haar jeugd zich afspeelde, geeft Ashworth (28) een onthullend beeld van haar jeugd, die bestond uit een aaneenschakeling van geweld en armoede.

Als Andrea vijf jaar oud is en haar zusje Laurie drie, overlijdt haar vader die 'knapper is dan Elvis'. Haar moeder, 'een weduwe van vijfentwintig met lange wimpers die violette schaduwen wierpen rond haar grote, chocoladekleurige ogen, en met dansende kuiltjes om haar lippen', hertrouwt al snel. Haar tweede echtgenoot, Pete Hawkins, werkt aanvankelijk als monteur, maar slijt vervolgens zijn dagen voor de televisie, een blikje lauw bier onder handbereik. In het begin deelt hij nog snoepjes uit, maar het duurt niet lang voor hij andere middelen gaat inzetten. 'Achter haar theekopje vroeg tante Livia: “Hij slaat de meisjes toch niet hè?” “God nee.” Mijn moeder zei ferm: “Die raakt-ie met geen vinger aan.” Ik keek naar de gezwollen ogen van mijn moeder. Ze wist niets van de avond dat mijn stiefvader me met de rug van zijn hand buiten westen had geslagen.'

Al jong ontdekt Andrea voor zichzelf een vluchtweg in boeken. Haar uitzonderlijke intelligentie biedt haar de gelegenheid om via school aan het geweld thuis te ontsnappen. Dat noodzaakt Andrea wel tot een ingewikkeld dubbelleven waarin ze de omgangsvormen thuis en in de klas virtuoos moet combineren. Naarmate Andrea ouder wordt en zich geleidelijk van huis weet los te maken, lijkt haar moeder de grip op haar leven kwijt te raken. Lorraines uiterlijk is daarvoor een goede graadmeter. Aan het begin van het boek heeft ze de frisheid van een jonge Natalie Wood, maar twee echtgenoten later en nog geen veertig jaar oud, is haar schoonheid verdampt. Wat rest is een magere afgeleefde vrouw, een onafscheidelijke sigaret in de hand.

Als Pete tamelijk plotseling, vertrekt, wordt hij opgevolgd door Terry: een charmeur met een goudkleurige Jaguar en een gouden ring aan zijn pink. Hij weet tijdelijk de smaak van armoede, van poedermelk en papperig witbrood te verdrijven, maar aan de 'lange vrolijke huwelijksreis' met Terry komt abrupt een eind als hij wordt opgepakt en de gevangenis indraait. De armoede keert terug en na Terry's ontslag uit het gevang, wordt ook het patroon van geweld en mishandeling hervat. 'De eerste klap scheen hem even pijn te doen als haar. Hij kromp ineen en sloot haar in zijn armen, terwijl hij ChristusChristusChristus kreunde'. Daarna volgen nog talloze vechtpartijen, waarbij Terry Lorraine soms halfdood slaat.

Ashworths verhaal maakt indruk door de eenvoud. Ze vertelt simpelweg wat ze voelt en ziet. Naarmate ze ouder wordt, vallen de stukjes van het verbrokkelde gezinsleven steeds meer op hun plaats. Ashworth weet de rauwe zenuwen van haar familie bloot te leggen zonder een beschuldigende toon aan te slaan, hoewel de feiten bitter genoeg zijn. Ondanks de armoede en de narigheid valt er bovendien nog te lachen ook, niet in de laatste plaats door de droge toon waarop Ashworth de meest vreselijke gebeurtenissen vertelt.

Als Andrea wordt toegelaten tot Oxford krijgt ze de kans definitief uit haar milieu te ontsnappen. Haar moeder dwingt Andrea die kans te grijpen. En zij was het ook die er bij Andrea op aandrong haar verhaal op te schrijven.