Schoenen van de bank

Zou ik het durven? De beroepsmilitair in het compartiment aan de andere kant van het gangpad had zijn molières op de bank gelegd. Zulk asociaal gedrag brengt bij mij een Pavlovreactie op gang: ik zal er altijd iets van zeggen. Nu ja, altijd? Ik weeg wel even de risico's. Een al te potige kerel in een volstrekt lege coupé laat ik ongemoeid. Alleen toon ik een veelbetekenende glimlach als hij bij het verschijnen van de conducteur zijn voeten braaf op de grond zet.

Maar normaal zeg ik wat iedereen denkt: 'Die voeten horen niet op de bank', of vooral tot een blaag of jonge meid poeslief: 'Mijnheer/mevrouw, wilt u uw schoenen van de bank halen?' (Zeg niet: 'Doet u dat thuis ook?' want dan krijg je een bevestigend antwoord).

Gewoonlijk levert mijn interventie het gewenste resultaat op. Schielijk worden de benen weggetrokken, soms onder het slaken van het kreetje 'oh'. Natuurlijk protesteert menigeen geluidloos door zeer traag aan mijn oproep gehoor te geven of door mij een vernietigende blik toe te zenden. Of men legt een krant of tas onder de schoenen, nog wel niet helemaal zoals het hoort, maar alla.

Een enkele keer wordt de onlust ook uitgesproken: 'Gaat het u wat aan?' ...'Hebt u er wat mee te maken wat ik doe?' ...'Is de trein soms van u?' Op deze vragen antwoord ik steeds volmondig en prompt: 'Ja'. Want de trein is van ons allemaal en als medereiziger, zo niet als medemens, heb ik het recht om de ander op wangedrag aan te spreken.

In een minderheid van de gevallen ontstaan uitzichtloze woordenwisselingen, bijvoorbeeld over de reinheid van de schoenzolen. Eens werd mij gevraagd of ik de almachtige God Zelve was. 'Nou nee, maar juist als medereiziger sta ik zo sterk. Ik begrijp best dat u het niet prettig vindt om op uw nummer gezet te worden, dat is voor niemand fijn, maar we hebben dat allemaal nodig.' Als de discussie zich verwijdt tot beschouwingen over rechten van het individu en normbesef, weet ik dat de ander van zijn onbehoorlijk gedrag een principieel punt maakt. Ik geniet ervan als iemand zich zo verlaagt, vooral als diezelfde bepleiter van het recht om te doen wat hij wil, wel zijn schoenen van de bank neemt als de conducteur opdoemt - sommige mensen hebben uniformen nodig om zich behoorlijk te gedragen.

Hoewel ik me dus in zulke gevallen geen illusies maak over het directe resultaat van mijn terechtwijzing, blijf ik toch even jennen. De last die dat veroorzaakt nestelt zich misschien in de vooralsnog halsstarrige geest. Een volgende keer kijkt de lomperik in de coupé rond of er niet zo'n bemoeial zit als ik. Of nog beter: hij besluit maar netjes te gaan zitten om geen gedonder te krijgen. Prima, zo werkt opvoeding nu eenmaal. Ook Jantje, die de pruimen als eieren zo groot na een korte aanvechting liet hangen, zal bij een eerste gebietst pruimpje een pedagogische tik van zijn liefhebbende vader hebben gekregen.

Dit alles ging door mij heen terwijl ik vanuit een ooghoek de gehorizontaliseerde beroepsmilitair zag. Was ik soms bang voor zo'n keurige heer? Ik vermande mij en kapittelde hem. Zonder mij een blik waardig te keuren nam hij zijn schoenen van de treinbank.