Op kamp in de dierentuin; Slapen op een giraffendrol

Diergaarde Blijdorp, Van Aerssenlaan 49, Rotterdam. Tel. 010-4431456. De Zoocamps zijn dit jaar allemaal volgeboekt.

“Getsie, ik heb giraffenpoep aan mijn schoen,” roept Noraly. Met een hark maakt ze de giraffenweide in Diergaarde Blijdorp schoon. Het is een smerig karwei. Maar Noraly zit op paardrijden. Zij is dus wat gewend. “En paardenpoep stinkt veel erger.” Samen met 25 andere kinderen is Noraly op Zoocamp. Ze kampeert een nachtje in de Rotterdamse Diergaarde Blijdorp. De Zoocamps worden de hele maand augustus gehouden.

Het kamp begint met het opruimen van de giraffenweide. Hier moeten straks de tenten staan. En niemand wil op een giraffendrol slapen. Vooral de oude keutels kunnen gemeen hard zijn. Enthousiast pakt iedereen een hark, bezem of kruiwagen. “Je mag een drol mee naar huis nemen,” zegt kampleidster Irma, “om aan je ouders te laten zien.”

Vanavond is er iets heel speciaals aan de hand. Terwijl de kinderen buiten stront ruimen, is binnen een giraf aan het bevallen. De kampeerders moeten heel stil zijn. Nog voor de barbecue begint, ligt er een verkreukeld nat girafje in het stro.

De kinderen zijn de eerste die naar de baby mogen kijken. “De moeder is wel bezorgd,” zegt Priscilla. “Dat zijn alle moeders” zegt haar buurmeisje Suzanne, “Kijk, er hangt nog spul uit haar billen.” De nieuwe giraf doet vergeefse pogingen om te gaan staan. Steeds zakt hij weer door zijn pootjes. Ze zijn ook zo dun. Het lijken wel lange lucifers.

De tenten worden opgezet. De jongens doen het snel. Daarna gaan ze rondrennen. Ze stoeien en ze spelen televisie-tikkertje. De meisjes blijven bij de tenten. Ze doen lekker lang over de inrichting. Sommigen, zoals Priscilla en Suzanne, hebben hun halve kamer meegenomen: hoeslakens, knuffels, pyjama's, hagelwitte kussens, volle toilettassen.

“Mogen we ons al gaan wassen?” vraagt Suzanne aan Irma. Maar de kampleidster is streng. Het is nog lang geen bedtijd. Suzanne stopt dan maar haar knuffels in bed. Haar beer heet Beertje, haar kabouter heeft geen naam. “Maar als je in zijn voet knijpt, komt er muziek uit,” zegt ze. Als de tenten zijn ingericht, gaan de meisjes bij elkaar op visite. Ze schrijven uitnodigingen, geheime brieven en ze wisselen adressen uit.

Rond elf uur belt de bewaking. Er is een alarm afgegaan. Misschien is er een kangoeroe ontsnapt. De bewakers vragen of de kampeerders willen gaan kijken. Dicht bij elkaar trekken de kinderen de duistere dierentuin in.

Bij het laboratorium blijkt het licht aan te staan. Ook de deur staat open. Boven ligt een pot pillen open. Er ligt ook een brief. Daar staat in dat inbrekers een 'dierenvirus' hebben verspreid. Gelukkig liggen er ook anti-viruspillen. Ze smaken naar zwart-op-wit.

Sommige kinderen roepen lachend: “Het is niet echt. Dit is de speurtocht.” Maar de meeste kinderen vinden het helemaal niet leuk. De dierentuin was al zo eng. Nu blijkt er ook nog een boef rond te lopen. Zeker tien kinderen beginnen te huilen. “Mag ik alsjeblieft naar huis?” roept Kevin.

Kampleidster Irma zegt lachend dat er niets is om bang voor te zijn. “Meester mag ik uw hand vasthouden?” vraagt Kevin. “Niet omdat ik bang ben. Ik vind het gewoon gezellig.” Alle begeleiders lopen nu met een stuk of vier bange kinderen aan hun arm. De speurtocht gaat dwars door het vogelmoeras. Soms duikt er opeens een kraanvogel op uit de duisternis.

Om twaalf uur belt de bewaking. De boef is gepakt en aan de politie overgedragen. De kampeerders krijgen een ijsje voor de schrik en kruipen dan in hun tenten. Een paar kinderen liggen nog lang na te woelen. Die speurtocht was veel te spannend. Tegen eén uur slaapt iedereen. Morgenochtend gaan ze de przewalski-paarden voeren.