Oorlog is geen ziekte

John Keegan: War and our world. The Reith Lectures 1998, Hutschinson, 87 blz. ƒ55,35

De Britse militair historicus John Keegan is een voorzichtig man. Dat maakt het laatste hoofdstuk in het boekje lezingen War and our world, over de vraag of oorlog ooit kan worden uitgebannen, meteen tot het saaiste. Keegan weet zo net nog niet of oorlog als maatschappelijk en menselijk fenomeen nu wel uitroeitbaar is, of niet. Voorlopig houdt hij het erop dat onze Westerse samenlevingen er goed aan zouden doen, in ere te houden.

En hij pleit voor internationale verdragen tegen semi-automatische vuurwapens van het type Uzi of Kalasjnikov, in het verlengde van de recente maatregelen tegen landmijnen. Ten onrechte, meent Keegan, gaat bij het internationale streven naar wapenbeheersing de aandacht bijna geheel uit naar spectaculaire uitvinden als atoomwapens. De meeste oorlogsslachtoffers in deze wereld vallen door het gebruik van de genoemde snelvuurwapens, die voor de kleine beurs bereikbaar zijn en door talrijke landen als warme broodjes naar het buitenland worden verkocht.

Deze serie lezingen vormt geen prettige lectuur voor pacifisten, of wie zou hopen dat oorlog duidelijk kan worden aangemerkt als een ontsporing van de mens of de samenleving. Keegan meent dat er geen goede redenen zijn voor een dergelijke excommunicatie van het verschijnsel. In een ironische verhandeling over de debatten over de relatie tussen menselijke natuur en samenleving enerzijds en oorlog anderzijds, zoals die in het verleden door antropologen zijn gevoerd, betrekt hij geen duidelijk standpunt. Hij veegt echter de vloer aan met degenen die, zoals Margaret Mead in de jaren twintig op Somoa, in de afwezigheid van oorlog of de reductie van de krijg tot een ritueel in sommige primitieve samenlevingen een aanwijzing menen te zien dat oorlog een uitvinding is, en geen noodzaak. Die volkeren, meent Keegan, zijn veelal de verliezers in een proces van duizenden jaren van menselijke ontwikkeling en aanpassing. Dat zij geen oorlog voeren lijkt Keegan eerder een gevolg van hun falen als krijgers, niet een teken van sociaal vernuft.

Aan de andere kant is oorlog niet altijd een noodzakelijke activiteit, meent hij. De antieke Egyptische staat deed het duizend jaar zonder, totdat andere volkeren de woestijnen overstaken en het gemunt hadden op de landbouwers in de vruchtbare Nijldelta. Dit historische voorbeeld bevestigt Keegans theorie dat oorlog moet worden verklaard uit de overgang van een deel van de mensheid na de laatste IJstijd (ongeveer 12.000 v. C.) van het jagerschap naar de landbouw. Die overgang werd vermoedelijk door noodzaak ingegeven: de jachtgronden waren uitgeput, zodat een deel van de mensheid op de gedachte kwam te gaan fokken en het dieet van vlees met andere vormen van voedsel aan te vullen. De gefokte dieren leken de nog als jager levende volkeren een makkelijke prooi, en de landbouwers, geconfronteerd met de noodzaak tot verdediging, zagen al snel in dat de aanval de beste verdediging was. Keegan is echter geen antropoloog, maar historicus - auteur van het alom geroemde A history of warfare en van een binnenkort te verschijnen geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog. De historische kanttekeningen zijn dan ook verreweg het interessante deel van dit boekje.

Daar zijn in de eerste plaats zijn nuanceringen bij de thans algemeen gehuldigde opvatting dat oorlog de grootste plaag der mensheid is. Deze opvatting, meent Keegan, kon alleen maar ontstaan in een eeuw die - wat de Verenigde Staten en Europa betreft - grotendeels gevrijwaard is gebleven voor de medische plagen en hongersnoden uit vroeger eeuwen, waaraan in de Westerse wereld de herinnering is verbleekt.

Natuurlijk zijn in de twintigste eeuw de aantallen oorlogsslachtoffers ontstellend geweest: meer dan tien miljoen in de Eerste Wereldoorlog (vooral militairen), vijftig miljoen in de Tweede Wereldoorlog (waarvan minder dan de helft militairen), en nog eens zo'n vijftig miljoen in alle oorlogen daarna. Toch staan de demografische gevolgen van dit alles in geen verhouding tot de plagen van vroeger, meent Keegan: de Zwarte Dood in de veertiende eeuw kostte het leven aan één op de vier Europeanen. De enige oorlog die zich daarmee laat vergelijken is die van Paraguay tegen alle omringende landen aan het eind van de vorige eeuw, die eindigde met de reductie van de mannelijke bevolking met negentig procent.

Maar de mens ervaart oorlog, en de ongewenstheid van oorlog, natuurlijk niet in demografische, maar in emotionele termen en in dat opzicht heeft de twintigste eeuw veel leed opgeleverd, onder andere door de inzet van grote volkslegers, gebaseerd op de dienstplicht van alle weerbare mannen. Keegan blijkt een groot tegenstander van die dienstplicht. Hij begrijpt naar eigen zeggen niet hoe de heersers in de negentiende eeuw erin zijn geslaagd hun onderdanen van de zin van deze instelling te overtuigen. Niet alleen is het militair bedrijf immers onaangenaam en gevaarlijk, en werd het militair bedrijf in vroeger eeuwen dan ook door de rest van de samenleving met de nek aangekeken, maar de inzet van grote troepenmassa's is ook strategisch onzinnig. De grote, op dienstplicht gebaseerde legers trokken in 1914 ten strijde in de waan dat juist hun omvang tot een snelle overwinnig zou voeren, maar als spoedig bleek het tegenovergestelde het geval. Waar vroeger veel veldslagen een, hoogstens twee dagen duurden, werd hun duur nu veelal eindeloos - die bij Verdun bijvoorbeeld duurde van februari tot november 1916.

Wat Keegan in dit boekje terloops over de Eerste Wereldoorlog vertelt, maakt overigens zeer nieuwsgierig naar zijn komenmde geschiedwerk over deze oorlog. Zo maakt hij melding van grootscheepse onvrede en opstanden onder soldaten in verschillende landen - een nog weinig belicht onderwerp - die, meent Keegan, direct verband hielden met het irrationele karakter van de strategie van volkslegers; de soldaten ervoeren hun overlevingskansen als te gering, terwijl aan de andere kant het voorspelde strategisch effect van hun inspanningen, de overwinning, steeds maar uitbleef.

Toch heeft het in veel landen nog tot ver na de Tweede Wereldoorlog geduurd voordat de dienstplicht werd opgeheven, in Nederland bijvoorbeeld nog tot na de beëindiging van de Koude Oorlog in 1989. Maar dat nu zelfs Frankrijk - waar de dienstplicht aan het eind van de achttiende eeuw is uitgevonden - overgaat tot een beroepsleger, stemt Keegan hoopvol. Het kan ook bijna niet anders meer in Westerse samenlevingen, meent hij, waar de staat door zijn burgers vooral als een dienende, verzorgende instantie wordt beschouwd, en de gedachte dat de onderdaan op commando van de heersenden het leven veil moet hebben, hoe langer hoe meer tot een anarchronisme is geworden.

    • Raymond van den Boogaard