Nederlander geeft meer uit aan interieur

De omzet in de interieurbranche is tot recordhoogte gestegen. “Een knus nestje biedt bescherming tegen de onveilige buitenwereld.”

LEIDERDORP, 7 AUG. Interieurontwerper Jan des Bouvrie haalt opgelucht adem. “De zeven magere jaren in de woningbranche zijn voorbij. De Nederlanders hebben het eindelijk begrepen.” Een huis is geen verzameling meubels, een zelfgemaakt museum. “Een interieur is dynamisch, het leeft, en moet passen bij je smaak.” En dus vervang je de oude bank niet omdat hij is versleten, maar omdat je een nieuwe bank wilt, die beter bij “de individuele behoefte past”.

Twintig miljard gulden gaven de Nederlanders vorig jaar uit aan de inrichting van hun huis. Volgens de Centrale Branche-vereniging Wonen (CBW) is de omzet van woonwinkels dit jaar met nog eens 7,5 procent gestegen. En de kooplust neemt alleen maar toe, zegt marktonderzoeker R. Masclé van het CBW. De behoefte aan nieuwe meubels was er volgens hem altijd al. Ook toen het slecht ging met de bedrijfstak hadden mensen een “lijstje met woonwensen in hun hoofd”. “De consument wilde wel, maar wist niet hoe.”

De consument moest worden geholpen. Het CBW begon vorig jaar woonbladen en interieurprogramma's op televisie te sponsoren. “We lieten niet de meest fantastische interieurs zien, dat is toch niet haalbaar voor de gewone man.” Praktische tips, daar heeft de consument wat aan. Bijna een miljoen mensen kijken hoe Jan des Bouvrie in TV Woonmagazine “sfeer, warmte en comfort” brengt in een doorsnee huiskamer. En, adviseerde het CBW aan de woonwinkels, creëer sfeer. Zet boeken in de boekenkast, laat de keuken naar appeltaart ruiken, en serveer koffie in de zithoek die je wil verkopen.

Verkoper Rob Werba van meubelzaak Mijnders op het meubelplein in Leiderdorp zet al tweëentwintig jaar koffie voor klanten, maar van stijgende omzetten merkt hij weinig. Hij staat op de afdeling 'middenromantisch'. Wekelijks verkoopt hij voor gemiddeld 30.000 gulden aan vuren tafels, grenen kasten, en 'koloniaal spul'. Maar de tijd is voorbij dat een echtpaar een inrichting van massief eikenhout kocht en daar een leven lang mee deed. “Het is tegenwoordig kruimelwerk. Jonge mensen kopen geen totaalpost, ze nemen een setje van hooguit vierduizend gulden. De rest halen ze ergens anders.”

“De tijd van een compleet ameublementje is voorbij, mensen willen zelf kiezen en combineren”, zegt eindredacteur Christine van der Hoff van VT Wonen. De oplagecijfers van het tijdschrift hebben een recordhoogte bereikt, vorig jaar was de oplage van het maandblad tweehonderdduizend exemplaren. Volgens haar is de enorme belangstelling voor het huis een “uitloper van de cocoontrend” van de jaren tachtig. “Mensen vinden hun leefomgeving onveilig, ze trekken zich terug in hun bunker. In hun knusse nestje willen ze zich optimaal lekker voelen.” Wat de buren ervan vinden is niet belangrijk, zegt van der Hoff. De huisinrichting is niet, zoals de auto, een statussymbool. “De huiskamer is geen pronkkamer meer, zoals vroeger. Het moet individueel, praktisch en vooral gezellig zijn.” Geel is dé kleur voor een 'permanent zomergevoel'. “Alles tussen roomwit en pompoengeel is niet aan te slepen.”

En warmte en gezelligheid mag best wat kosten. Niet alleen de huiskamer moet mooi, maar ook de keuken, de badkamer, slaapkamer en niet te vergeten de tuin. Een beetje badkamer, met glasmozaïek en metrotegels kost al gauw twintigduizend gulden. “De meubelbranche doet het goed”, zegt Masclé van het CBW. Maar de slaapkamer- en keukenspeciaalzaken doen het met een omzetstijging van vijfentwintig procent “heel goed”.

Piet Nieuwenburg (60) drinkt koffie op het meubelplein in Leiderdorp. Tien jaar geleden, toen hij een aannemersbedrijf had, bouwde hij zelf de meubelkolossen op het plein. Nu heeft hij zijn zaak verkocht en komt hij als klant, samen met zijn nieuwe vrouw nieuwe meubels kopen vooor hun nieuwe huis. Voor hem geen seniorenhoek of 'relaxfauteuils, maar gewoon moderne spullen. Ouderen die nog één keer alles vervangen, zijn populair bij meubelverkoper. “Ze zijn minder kritisch, en hebben meer geld over voor kwaliteit”, zegt verkoper Werva. Maar de echt grote vis is de tweeverdienende consument tussen de dertig en de vijftig. De dertiger bezoekt gemiddeld 3,5 winkel voordat hij iets koopt, berekende het CBW. Zijn bestedingen verspreidt hij over verschillende winkels. Keuze genoeg: per jaar komen er in Nederand een paar honderd zaken bij. En als het een beetje meezit, vervangt die consument elke vijf jaar een deel van de inrichting. Een enkeling doet wat Jan des Bouvrie adviseert: “Als je huis af is, moet je verhuizen.”

    • Rinskje Koelewijn