Is er leven na Bolkestein?

Aangezien ik bij de verkiezingen van 6 mei mijn stem niet op Bolkestein heb uitgebracht, heb ik geen reden mij bekocht of bedrogen te voelen door zijn besluit af te treden als leider van de fractie van de VVD in de Tweede Kamer. Niettemin betreur ik dit besluit.

Niet dat ik het niet begrijp. Een man van zijn leeftijd doet er goed aan een stapje terug te doen. Het besef van eigen misbaarheid is een teken van wijsheid, die overigens weinigen gegeven is. De geschiedenis loopt over van mensen die te lang aan hun ambt kleefden en wier einde bijna altijd min of meer tragisch was. In de Nederlandse politiek is Den Uyl daarvan een voorbeeld. Wijsheid had Bolkestein al eerder betoond door, in 1994, niet te bezwijken voor de glitter van een ministerschap. Trouwens: als fractieleider had hij veel meer macht dan menig kabinetslid. Bovendien redde hij daarmee nog iets van het geschonden dualisme.

Dat werd hem door andere partijen niet in dank afgenomen. Dualisme betekent dat de Kamer, dus ook een regeringspartij, het regeringsbeleid desgewenst kan kritiseren. Het debat dat Bolkestein daarmee ontketende, werd over 't algemeen door zijn coalitiegenoten niet verwelkomd. Maar is debat niet het wezen van de democratie?

Het is daarom dat ik Bolkesteins heengaan als politiek leider betreur. Niet dat ik het altijd met zijn standpunten eens was - daarom juist kreeg hij mijn stem deze keer niet - maar hij bracht tenminste leven in de politieke brouwerij, en doorgaans op een hoog intellectueel niveau.

Daarmee ontzag hij vaak heilige huisjes niet. Bijvoorbeeld het probleem van de asielzoekers, dat uit een schuldgevoel, erfenis van de oorlogsjaren, grotendeels onbesproken bleef, maar niettemin een probleem was. Dat alleen maar te erkennen bezorgde Bolkestein kritiek, ja verdachtmakingen. De Nederlandse politiek noemt het kind liever niet bij zijn naam. Bolkestein wel.

Ook daardoor was hij een uitzonderlijke figuur - ook in eigen partij, die hem dan ook niet altijd slaafs volgde. Toen hij een wijsgerige discussie over de moraal op gang probeerde te brengen, kreeg hij de kous op de kop. De partij wil het in eigen kring vooral gezellig houden, en daarbij past zo'n zware discussie niet. Wat dat betreft was Bolkestein geen echte VVD'er, zoals Kees van der Malen en Hans Nijenhuis in de krant van 20 juli terecht opmerkten.

Een tijdperk - een vrij uitzonderlijk tijdperk - lijkt nu voorbij. Zijn opvolger is uit ander hout gesneden. Hij behoort meer tot de vertrouwde gezelligheidscultuur van de partij en zal, als hij al het dualisme zal proberen hoog te houden, dat zeker anders doen dan Bolkestein. Om al die redenen betreur ik Bolkesteins heengaan, al zit er meer weemoed dan kritiek in die treurnis.

Misschien dat Melkert, die er zeker de capaciteiten voor heeft, voortaan het contrapunt vanuit de Kamer zal doen horen, met hetzelfde gezag als Bolkestein had. De ergernis die Bolkesteins optreden vaak bij de PvdA en D66 wekte, zal dan verschuiven naar de VVD, tenzij zij op hetzelfde niveau zal weten te antwoorden.

Maar Melkert is slechts één van de tenoren die de PvdA het politieke toneel heeft opgestuurd. Er zitten er ook een paar in het kabinet. Dat kan interessant worden, als het duidelijk wordt dat ook het tijdperk-Kok tegen zijn einde loopt, al was het alleen maar wegens de leeftijd van de hoofdpersoon. Bij de betrokkenen zal dan de behoefte ontstaan zich te profileren, wat tot spanningen kan leiden, niet alleen binnen de coalitie, maar ook binnen de partij. Alleen al om die reden belooft Kok II spannender te worden dan Kok I.

Zal de VVD een soortgelijke diadochenstrijd bespaard blijven? Het hangt af van het gezag dat Dijkstal zich zal weten te verwerven. Zeker is dat Van Aartsen, als minister van Buitenlandse Zaken, een grote kans krijgt zich te profileren. Alleen al uit hoofde van zijn ambt krijgt die bewindsman meer publiciteit dan menig collega. Zelfs een brekebeen als Van der Klaauw, minister van Buitenlandse Zaken van 1977 tot 1981, genoot daardoor een zekere populariteit bij het grote publiek.

Tel daar Van Aartsens onmiskenbare bekwaamheden bij op, en hij kan zich ontwikkelen tot de man van de toekomst. Er is wel gesmaald om de plotselinge belangstelling die hij en zijn gezin, in afwachting van zijn benoeming, voor De Gaulle zijn gaan koesteren. Er is een slechtere leerschool denkbaar.

Zeker, De Gaulle's buitenlandse politiek is grosso modo op een mislukking uitgelopen. Maar daar staat tegenover dat zijn denken nog steeds de Franse politiek (ook van de socialisten) beheerst, en daar zal een Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken mee te maken hebben. Bovendien: De Gaulle's politiek mag dan, dankzij nationale zelfoverschatting, mislukt zijn, zijn analyses zijn vaak nog steeds geldig. Zo ziet het er naar uit dat Europa niet verder komt dan het door hem gewenste 'Europa der staten'. Over het supranationale Europa hoor je in elk geval niet meer spreken.

Het is waar dat Van Aartsen indertijd applaudisseerde toen Bolkestein, in verband met Duisenbergs kandidatuur, zijn belachelijke motie indiende om Frankrijk voor de laatste maal te waarschuwen, maar hij zal er, als dat nog nodig mocht zijn, gauw genoeg achter komen dat dàt niet de manier is om Frankrijk, of welk land dan ook, tot andere gedachten te brengen. Aan te nemen is dat zijn departement, na de wat chaotische periode-Van Mierlo, verlangend naar deze manager uitziet.

Kennis van het binnenland heeft Van Aartsen al. Als minister van Buitenlandse Zaken zal hij zijn kennis van het buitenland, die zich tot dusver beperkte tot 'Brussel' (dat overigens een groot deel van ons buitenlands beleid in beslag neemt), vergroten. En zo heeft hij de kans over vier jaar Bolkestein te evenaren in brede ervaring en belangstelling. Gezelliger dan Bolkestein lijkt hij ook.

De Vooys en Stuiveling

In mijn artikel van 4 augustus over Garmt Stuiveling in bezettingstijd stond in de kopij zoals door mij afgeleverd deze zin: “Omdat het Departement (van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen) ten slotte akkoord ging met een onverkorte herdruk, dus met de weigering van beide auteurs (De Vooys en Stuiveling) zich naar zijn wensen te voegen, beschouwden beide auteurs, verre van beschaamd te zijn over die herdruk die druk 'als een soort triomf op de censuurbeperkingen van de bezettende macht (...)'.”

In de zin zoals die in de krant is komen te staan, waren de woorden verre van weggevallen, waardoor de zin op z'n best onleesbaar werd en op z'n slechts de - verkeerde - indruk kon laten ontstaan alsof De V. en S. wèl beschaamd waren over de in 1942 verschenen herdruk van hun Historische schets van de Nederlandse letterkunde.