Het monster van de inspiratie; Zijn broeders tanden

De inspiratie lijkt nog het meest op een lastige puber: nooit te vinden als er afgewassen moet worden, maar zeuren om aandacht als je geen tijd hebt. Het innerlijk oog opent zich niet op commando.

Een roman komt niet zomaar uit de lucht vallen, dat voelt iedereen op z'n klompen aan. Daarbij zijn machten en krachten aan het werk die de gewone sterveling niet kent.

Toch klinkt het woord 'inspiratie' misplaatst verheven voor de banale realiteit van alledag waaruit scheppend werk bestaat: schrappen, hakken, snoeien, weggooien, opnieuw beginnen en te veel roken. Het hebben van 'inspiratie' wekt daarnaast ook nog eens de indruk dat je al dat vermaledijde geploeter niet zelf verricht, maar ontspannen aan een pilsje zit te lurken totdat de geest vaardig over je wordt.

Zo werkt het niet. Maar hoe wel, dat weet ik ook niet precies. 'Mama, waarom is het gras groen?' Over die categorie hebben we het hier. Oneindig veel mensen bijvoorbeeld, vertoeven levenslang op een stoffig instituut, maar slechts een enkeling 'ziet' daarin stof voor een romancyclus van zeven delen. Nog schimmiger ligt het bij literair werk dat amper of zelfs helemaal niet op ware feiten stoelt. Wat is daar in vredesnaam de oorsprong van?

Zo moest ik eens op een winterse zondagmiddag wat papieren afgeven bij mijn accountant, die kort tevoren naar een nieuwbouwwijk was verhuisd. Zo'n wijk met woonerven, verkeersdrempels en voornamelijk bamboe in de tuinen. Midden in het buurtje lag een kinderspeelplaats er verlaten bij. Ook andere tekenen wezen erop dat hier vooral jonge gezinnen woonden: er hingen schommels in de tuinen, op menig pad stond een autoped geparkeerd, en ergens lag midden op straat een kinderfietsje neergekwakt. Bij de aanblik van dat fietsje deed ik in een impuls iets merkwaardigs. Ik stapte uit, met het fototoestel dat toevallig in mijn auto lag. Door de lens keek ik naar het hemelsblauwe fietsje. Het lag op z'n kant, ongeveer vijf meter achter een verkeersdrempel. Links ervan stond een rijtje huizen met schuine daken, rechts een reeks blinkend gewassen auto's. Gezien door de zoeker was het een zeldzaam verontrustend beeld: de zelfgenoegzame, burgerlijke rust van dat frisse straatje waar alles pico bello in orde was, behalve dat het kind dat hier zojuist nog vrolijk had rondgefietst, plotseling in rook was opgegaan.

Met de camera tegen mijn oog gedrukt liep ik een paar meter achterwaarts en draaide me toen om. Beng! Een lege schommel in een tuin, naargeestig knarsend in de kille wind. Even verderop: rang! De gele glijbaan op het uitgestorven speelplaatsje.

Waar zijn de kinderen gebleven, dacht ik, terwijl ik de ene foto na de andere maakte. Wat is er met de kinderen gebeurd?

Verkleumd

Die vraag was snel beantwoord toen ik verkleumd en wel weer in mijn auto zat, en zonder nog aan de stukken voor mijn accountant te denken, in het invallende duister naar huis reed. Die kinderen zaten gewoon bij de centrale verwarming kippensoep te eten. Ze leerden de tafel van zes, knepen hun kleine zusje, terroriseerden hun ouders, of deden iets anders wat gezonde kinderen doen.

Niettemin ging ik thuis meteen achter de computer zitten, ik opende een file onder de werktitel Hamelen, en begon plompverloren te schrijven. Dat was een jaar of drie geleden. Hamelen is een van die werkstukken die ik langdurig met me meezeul en die hopelijk ooit, dankzij een nieuwe onbegrijpelijke gedachtenflits, hun beslag zullen krijgen.

Hoe werkt de blikseminslag van zo'n idee? Waarom en waardoor begint het ene hoofd bij de onnozelste aanleiding als een flipperkast te rinkelen en te rammelen, en het andere niet? Komt zoiets van buitenaf - of had Faulkner gelijk toen hij simpelweg zei: 'If a story is in you, it has to come out'? Ook in het laatste geval is er blijkbaar een trigger nodig, die het innerlijk oog opent voor de goudmijnen die we onwetend met ons meedragen.

Vast staat in elk geval dat het innerlijk oog zich nooit op commando opent. Er bestaat geen bevel dat het gehoorzaamt: het is even ongrijpbaar als de liefde. Ideeën laten zich niet afdwingen, inspiratie is niet iets dat je met een vlindernetje achterna kunt hollen om het te vangen en op te slaan in een glazen pot waar je voor alle zekerheid ook nog gauw een dik touw omheen bindt, en die je op je gemak weer eens tevoorschijn haalt op een knusse winteravond.

Nee, de vergelijking met een etter van een puber is meer op z'n plaats. Nooit, nooit te vinden voor de afwas, en altijd, altijd jengelend om jouw aandacht op momenten dat het echt niet schikt. Groeit een beetje normale puber goddank uiteindelijk nog op, de schrijver zit opgescheept met een zichzelf klonend exemplaar, want uit elk idee vloeien weer tien nieuwe voort, en zo neemt je problemarium alleen maar toe en nooit af.

Maar o wee als de inspiratie, dat ijle, altijd voortvluchtige en gedrochtelijke wezentje, het laat afweten. Van een vriendin van me, de beeldhouwster Maja van Hall, heb ik geleerd dat je op dat moment het beste kunt handelen zoals ook verstandig is wanneer een minnaar tussen je vingers door dreigt te glippen: je moet het monstertje niet willen paaien, maar het juist onverschillig de rug toedraaien.

Zij gaf mij dit advies toen ik ooit een jaar lang geen enkele zin op papier kreeg die ergens op sloeg. Maja, die wel vaker met dat bijltje had gehakt, zei telkens dringend: “Je kunt echt beter langs het strand gaan wandelen dan achter je bureau blijven zitten, hoor.” Ik sloeg haar wijze advies tot mijn eigen schade langdurig in de wind. Totdat ik op een ochtend naar de boeken in mijn kast keek en onomstotelijk besefte dat ik er nooit van mijn levensdagen meer in zou slagen om daar nog één exemplaar aan toe te voegen. Ik trok mijn jas aan en verliet in overspannen toestand het pand.

Het strand heb ik nooit bereikt, want letterlijk binnen tien minuten na deze totale capitulatie kreeg Maja al gelijk en werd ik op mijn schouder getikt door een idee dat zo helder was als glas en dat klonk als een klok. Terug naar huis en aan de slag voor de roman die Het hemelse gerecht zou gaan heten.

Pas op het moment dat je tot in al je vezels doordrongen bent van je eigen ontoereikendheid, pas op het moment waarop je in arren moede erkent dat je een waardeloze kluns bent en dat al je kansen finaal verkeken zijn, komt er weer schot in de zaak. “Let the free winds of heaven blow between us”, schreef de Bengaalse dichter en Nobelprijswinnaar Rabindranath Tagore in een beroemd gedicht over de liefde, en zo zou je ook tegenover het monster der inspiratie moeten staan.

Kunstgebit

Vele jaren geleden bezocht ik in Calcutta het huis waar Tagore woonde en werkte, een prachtig oud gebouw met houten luiken en onverwachts grote vertrekken. Sidderend van ontzag bekeek ik de tafel waaraan de dichter dichtte, het napje waaruit hij dronk en het petje dat hij opzette wanneer hij zich naar buiten begaf. Had ik maar zo'n tafel, zo'n bekertje en zo'n muts, dan kwam de literatuur me vast vanzelf aanwaaien. Toen viel mijn oog op een eigenaardig voorwerp in een van de glazen vitrinekasten. Het bleek een primitief soort kunstgebit te zijn: een ijzeren contraptie waaraan een paar kiezen waren bevestigd. Een geel geworden kaartje gaf in verbleekt handschrift uitsluitsel: 'His brother's teeth'.

Sedertdien merk ik, wanneer ik hopeloos vastzit, dat het om mysterieuze redenen helpt als ik aan his brother's teeth denk. Zoals het ooit ook hielp om bij het schrijven van een bepaald boek een jaar lang iedere ochtend dezelfde trui aan te trekken, een donkerblauwe katoenen sweater van de University of Michigan. Op het laatst was ik al automatisch in de juiste stemming als ik die trui alleen maar róók, want gewassen werd hij gedurende dat jaar uiteraard niet.

Stukken geraffineerder is de tactiek die Maja van Hall toepast. Op dagen dat het monster haar in de steek dreigt te laten - want het is zo trouweloos als wat - haalt zij fluitend van onschuld wat kunstboeken uit de kast, om, zoals dat heet nietwaar, 'inspiratie op te doen'. Ha! Wat het monster niet weet is dat zij deze boeken lang van tevoren zorgvuldig heeft ondermijnd door er foto's van eigen werk in te planten. Bladerend langs Picasso's en Henri Moore's stuit Maja dus vroeg of laat op een echte Van Hall, en dan verzucht ze uit de grond van haar hart: “Nee maar, wat een geweldig beeld. Dat moet door een genie zijn gemaakt.”

Ik verzamel deze en andere trucs al vele jaren, en hoop ze ooit te bundelen in Het Volkomen Handboek Voor De Kunstenaar, een boek dat menig wanhoopsuur zal voorkomen.

Kunst, zo wil het populaire gezegde, komt van kunnen en niet van willen, anders had het wel wunst geheten. Maar in dit beroep lijken kunnen en willen elkaar vaak in de weg te zitten. Je weet zelf immers precies wat je eigenlijk had willen maken, en je moet je er dus iedere keer opnieuw bij neerleggen dat het concrete resultaat van al je gemier en getob toch weer enigszins afwijkt van het visioen in je hoofd waarmee het begon.

De lezer is een gelukkig mens. Hij of zij ziet alleen het eindproduct. Als maker weet je altijd dat het beter had gekund, en betreur je dat jij het niet beter kon.

Toch denk ik weleens dat juist die gapende afgrond tussen kunnen en willen de geheime woonplaats is van het i-monster. Daar ergens in die diepe kloof verstopt het zich, ver buiten het bereik van gretig rondtastende zuignappen of desperaat gehanteerde hooivorken. Het vertoont zich bij voorkeur 's nachts, in onze dromen, of als we nietsvermoedend het stugge werk even onderbreken om naar de wc te gaan. Het aantal ideeën dat op de wc-bril wordt geboren, moet in de triljoenen lopen. De reden is evident. Zou je standaard met je laptop op schoot op het toilet plaatsnemen, dan gebeurde er geen fluit.

Het opmerkelijke van het hele fenomeen is dat het zich letterlijk op ieder denkbaar niveau manifesteert. Neem nu de hoeveelheid tekst die een schrijver op een dag vermag te produceren. Je zou toch zeggen dat je daar zelf enigszins de hand in hebt. Maar zolang ik mij kan heugen, kom ik niet verder dan negentien bruikbare regels per dag. Vroeg beginnen, laat beginnen, het maakt niet uit. Een bezoek van de loodgieter, twaalf onderbrekende telefoontjes of nul, een weggelopen poes, kiespijn, regen of zonneschijn: niets is van invloed. Soms staan die negentien regels 's ochtends om kwart over tien al op het scherm, soms zit ik om half zeven 's avonds nog als verlamd naar mijn in de leegte knipperende cursor te staren, maar aan het einde van elke dag is het resultaat gelijk: negentien regels. Vooruit, zullen het er eens één keer twintig zijn. Of achttien.

Schema's

Toevallig sprak ik hierover onlangs met de schrijver Thomas Rosenboom. Of eigenlijk hadden we het over zijn gewoonte veel tijd en zorg te besteden aan het opbouwen van schema's voor zijn romans. Hij kon zich niets voorstellen bij mijn geheel andere werkwijze: gewoon maar beginnen, doorschrijven tot de contouren van het verhaal zichtbaar worden, en dat dan in eindeloze revisie-rondes uit het kreupelhout tevoorschijn kappen, herzien, herschikken en verbeteren. Dat leek Rosenboom maar een hoop gedoe. 'Waarom maak je niet gewoon eerst een schema?' adviseerde hij.

Begerig vroeg ik mij hardop af of dat me zou verlossen van de eeuwige terreur van die negentien regels. Hij slaakte een getergde zucht. Nou nee. Ook hij had zijn vaste quotum per dag. Een doodenkele keer viel er wel eens een dubbele hoeveelheid tekst gelijk manna uit de hemel, maar dan kon hij er vergif op innemen dat hij de volgende dag geen ene jota op papier kreeg.

Is dat verschijnsel nu gewoon een aanwendsel, of krijgt men daadwerkelijk een persoonlijke eindgrens aan de dagelijkse productie opgelegd? En door wie dan? Waar is het loket?

Ook in ruimere zin, besefte ik heel recent, is het een illusie te denken dat je je eigen tempo bepaalt. Normaal gesproken doe ik zo'n veertien maanden over het voltooien van een roman. Met Een hart van steen, mijn laatste boek, was het in minder dan een half jaar gepiept. Na het inleveren van het manuscript had ik voor het eerst in mijn leven geen zin om meteen aan een nieuw project te beginnen. Maandenlang lummelde en luierde ik, totdat ik begon te vrezen dat ik mij bevond in de greep van zoiets deprimerends als een writer's block.

“Welnee”, zei Rosenboom, “je bent gewoon te hard voor de troepen uitgemarcheerd. Je zult moeten wachten totdat ze je weer hebben ingehaald. En dat zal wel duren totdat de tijd is verstreken die een roman je normaal gesproken kost.”

Dus spitte ik in mijn tuin en snoeide ik mijn rozen. Ik ademde in, ik ademde uit, in afwachting van het moment dat de troepen mij zouden inhalen. Voorop, met wapperend banier, dat gedrochtelijke wezentje wiens naam alleen de onschuldigen van geest hardop durven uitspreken. Het kwam. Na precies acht maanden stond het me op te wachten aan het voeteneinde van mijn bed. “Werk aan de winkel”, zei het, en het lachte gemeen.