Het gelijk van Van Mierlo

De kans dat Desi Bouterse ooit berecht wordt voor grootscheepse drugshandel is klein. J.M. Bik is van mening dat oud-minister van Buitenlandse Zaken Van Mierlo vorig jaar zomer terecht heeft geadviseerd om Brazilië (nog) niet te verzoeken hem aan te houden en uit te leveren.

Is Suriname de afgelopen jaren belaagd door Nederland, zoals het heet in een beknopte Bouterse-hagiografie die Paramaribo als white paper door de wereld laat gaan en waarvan de inhoud afgelopen woensdag op deze pagina weergegeven stond? Zo ja, dan breken er snel betere tijden aan voor het land en is het binnenkort afgelopen met de aanvallen van het overvolle en dus expansionistische Holland en zijn wens om Suriname opnieuw te koloniseren. Want Hans van Mierlo, die dan toch een leidende rol zal hebben gespeeld onder de geschatte herkolonisatoren, is sinds deze week geen minister van Buitenlandse Zaken meer. En waar Van Mierlo nog een emotionele band had met Suriname en vaak zei dat dit het enige buitenland was waar Nederland een zelfstandige buitenlandse politiek kon bedrijven, zei zijn opvolger Jozias van Aartsen maandag op koele toon iets heel anders, na de portefeuilleoverdracht. Namelijk: “Suriname is niet het centrum van het Nederlandse buitenlandse beleid.”

Misschien breken er daardoor wel betere tijden aan voor Suriname én Nederland, want het zou goed zijn als er, emotioneel en anderszins, eindelijk eens wat meer afstand zou ontstaan tussen Paramaribo en Den Haag. Nederland zou er dan in kunnen slagen om een zo 'gewoon' mogelijke relatie met Suriname te onderhouden. Zodat ex-legerleider Bouterse cum suis ook wat minder kans krijgt om zich in een politiek bruikbare slachtofferrol te profileren.

Als iets uit dat white paper mede duidelijk wordt, is het dat Nederland in de kwestie-Bouterse steeds meer de gevangene van zichzelf wordt. Immers: het Nederlandse rechtsgevoel en het dossier dat het OM sinds 1995 klaar heeft liggen tegen de van grootscheepse drugshandel verdachte Bouterse schreeuwen om diens aanhouding, uitlevering en berechting. Ook al is het zeer onwaarschijnlijk dat het daar ooit van komt.

Het mag best eens worden gezegd: aan die ontwikkeling konden Van Mierlo en zijn ministerie de afgelopen jaren niet zo gek veel doen. Integendeel, met zijn scepsis over de mogelijkheid van aanhouding en uitlevering van Bouterse heeft Van Mierlo tot nog toe niet alleen de feiten aan zijn kant gehad, er is zelfs een behoorlijke kans dat hij over een jaar of wat ook in de politieke geschiedschrijving zijn gelijk krijgt. Let wel, het gaat daarbij niet om de vraag of Van Mierlo het Nederlandse rechtsgevoel niet deelt en niet ook zou vinden dat Bouterse voor de rechter moet verschijnen. Nee, het gaat om twee soorten 'gelijk' die helaas tegen elkaar afgewogen moeten worden. Namelijk om de vraag of het, justitieel heel begrijpelijke, internationale verzoek om signalering van Bouterse, dat op 17 juni vorig jaar uitging, politiek gesproken ook een kans op succes had of heeft. Parallel daaraan bestaat de vraag of de rechtsgang er wel mee gediend zou zijn, indien Nederland een blauwtje loopt in een derde land dat om wat voor reden ook niet wil of kan voldoen aan een verzoek om aanhouding en/of uitlevering. Alsook welke schade dat zou opleveren voor de relaties met zo'n land en voor de Nederlandse positie (en welk voordeel dat weer zou hebben voor Bouterse).

Het voorbeeld van Brazilië dateert van vorig jaar zomer. Toen - het was 18 juli - was Bouterse daar op bezoek. Het OM en minister van Justitie Sorgdrager vonden het moment gekomen om Brazilië te benaderen met een verzoek hem in de kraag te grijpen. Maar Sorgdragers partijgenoot Van Mierlo, met wie contact alleen al nodig was omdat zo'n verzoek via de Nederlandse ambassade moest gaan, adviseerde van actie af te zien. Sorgdrager, aan wie de beslissing was, volgde dat voor haar klaarblijkelijk overtuigende advies. Op 22 augustus bracht deze krant het nieuws van deze op de valreep afgelaste operatie en de grote ergernis daarover in kringen van het OM en een groot deel van de Tweede Kamer. Daar kreeg Van Mierlo van CDA-fractieleider De Hoop Scheffer zelfs het consigne voortaan bij zulke duidelijke zaken geen eigen oordeel te geven maar altijd de minister van Justitie te volgen.

In alle opwinding bleef een verklaring van de Braziliaanse ambassade in Den Haag jammerlijk onderbelicht. In deze verklaring van 25 augustus noemde de Braziliaanse gevolmachtigd minister Vasconcellos het Nederlandse afzien van een verzoek om aanhouding en uitlevering van Bouterse “een wijs besluit”, omdat het “nog te vroeg was voor een dergelijk verzoek”.

In feite maakte deze verklaring duidelijk wat Van Mierlo al wist, maar moeilijk van de daken kon roepen. Namelijk dat Brazilië zich weliswaar “in principe bereid” had verklaard aanhouding van Bouterse te overwegen (over uitlevering beslist de Braziliaanse Hoge Raad), maar dat zeker voorshands niet metterdaad zou doen. Van Mierlo wist bijvoorbeeld dat Bouterse eerder, in januari '97, al officieel op bezoek was geweest bij de Braziliaanse minister van Buitenlandse Zaken, Lampreia. Sterker nog: Van Mierlo had de Braziliaanse ambassadeur in Den Haag januari '97 ontboden om de Nederlandse bezwaren uit te leggen tegen de officiële ontvangst “van een verdachte van zeer ernstige drugsdelicten”, maar vernam tijdens zijn gesprek met de ambassadeur dat Bouterse op hetzelfde ogenblik al bij Lampreia zat.

In (ontkennende) antwoorden op vragen uit de CDA-fractie na berichten als zou hij het openbaar ministerie al vorig voorjaar hebben verhinderd Bouterse aan te (laten) houden, schreef Van Mierlo vorige week over die episode fijntjes: “Een concreet verzoek aan de Braziliaanse regering om aanhouding en uitlevering van een officiële gast van de regering was uiteraard kansloos. De Braziliaanse regering volstond op dat moment met begrip te tonen voor onze gevoelens. De Kamer is hierover uitgebreid geïnformeerd tijdens het algemeen overleg van 19 maart 1997 (curs. red.). [...] De regering heeft Brazilië niet formeel om uitlevering verzocht, omdat zij niet kiest voor het verliezersscenario.”

De Tweede Kamer nam dit op 19 maart 1997 voor kennisgeving aan, voegt Van Mierlo daaraan toe. Over een tweede geval waarin hij, in juni '97, zou hebben verhinderd Brazilië te vragen Bouterse aan te houden, schrijft hij dat destijds bij nader onderzoek bleek dat de Surinaamse Adviseur van Staat niet in Brazilië was.

In de zaak-Bouterse valt Van Mierlo al met al minder te verwijten dan vaak gebeurt. Als hem al iets te verwijten valt is het dat hij, na lang verzet, uiteindelijk is gezwicht voor de druk van het nationale rechtsgevoel en de druk van de, natuurlijk op de nationale tribune georïenteerde, meerderheid van de Tweede Kamer. Maar ook dat hij instemde met een internationaal aanhoudingsverzoek, hoewel hij wist dat de kansen daarvan klein en de politieke risico's dus groot waren. Een extra complicatie was dat landen als Brazilië weliswaar (nog) niet aan zo'n verzoek zouden voldoen, en dus liever (nog) niet zo'n verzoek krijgen, maar wèl op de signaleringslijst willen omdat zij niet wereldwijd over de tong willen gaan als staat die verdachten van ernstige misdrijven ongemoeid laat. Ingewikkeld, zoiets: Van Mierlo wist dat Brazilië wist dat hij wist wat hij eigenlijk niet hardop, en zeker niet officieel, mocht zeggen. En als hij dat, wegens ons rechtsgevoel en hoge politieke nood in Den Haag, tóch had gezegd? Dan vergat een meerderheid van de Tweede Kamer dat vrijwel direct.

Op Buitenlandse Zaken en Justitie zitten nu weer twee partijvrienden, dit keer de VVD'ers Van Aartsen en Korthals. Zij moeten een list verzinnen. Want nergens staat geschreven dat je wegens je rechtsgevoel alom voor gek moet gaan staan. Misschien moeten ze eens met de VS praten, daar kijken landen als Brazilië of Trinidad anders naar dan naar Nederland.