Habermas en het postmodernisme; Een biertje halen uit de schuur

Harry Kunneman: Postmoderne moraliteit. Boom Essay, 140 blz. ƒ32,50

Na lezing van Postmoderne moraliteit weten we dat de auteur thuis twee televisies heeft staan, twee video-recorders en drie pc's. We weten dat zijn huwelijk op de klippen liep. We zijn op de hoogte van zijn gezinstherapie, en het is ons bekend dat hij zijn ribben kneusde toen zijn deltavlieger tegen een paal vloog. We kennen de naam van zijn eerste liefde (Marja), we begrijpen dat op haar blonde haren een glans lag die hem 'steeds weer goed wegdromen'.

En we weten ten slotte dat hij het postmoderne levensgevoel voortreffelijk vertolkt vindt in het nummer 'Is dit Alles?' van de popgroep Doe Maar, in het bijzonder door 'de zware bassen'.

Maar waarom weten we dit allemaal?

Omdat Harry Kunneman, hoogleraar filosofie aan de universiteit voor humanistiek in Utrecht, een consequent mens is. Hij heeft als postmodern filosoof het geloof verloren in de 'grote verhalen', zelfs in dat van zijn leermeester Jürgen Habermas, en dus moet het eigen, kleine verhaal worden verteld. Vandaar Marja en de gekneusde ribben. Vandaar ook de anekdote van een incident op tweede kerstdag, als Kunneman zich stoort aan een familielid dat de kinderen niet naar een cartoon wil laten kijken. 'In plaats van het gesprek aan te gaan, sta ik op en ga een biertje halen uit de schuur', schrijft hij. Habermas is opeens ver weg.

Dat Kunneman zo probeert eenheid van inhoud en vorm te bewerkstelligen, is op zichzelf lovenswaardig, al is zijn verteltrant soms even plomp als openhartig. Aan het slot van het boek voegt een lang verloren gewaande studiekameraad hem toe, na een ontroerende avond vol drank en discussie over een 'andere menswetenschap', dat ze in hun leven 'nog wat dikke drollen moeten draaien'. Luchtigheid is ook een kunst.

Er staat veel meer in dit boek dan die paar anekdotes - maar hier toont zich wel meteen de vreemde tweeslachtigheid van Postmoderne moraliteit. Want in zijn dwingende stijl en dichtgetimmerde argumentaties is Kunneman allerbehalve postmodern speels, maar nog steeds de onvermoeibare systematicus die ijverig probeert nieuwe inzichten te incorporen. Het postmodernisme is lichtvoetig, dus móet er wat er te lachen zijn.

Kunneman (1948) is geschoold in de kritische traditie van de Frankfurter Schule. Vanaf de jaren zeventig maakte hij haam als verspreider van het werk van Habermans, vooral diens magnum opus, Theorie des Kommunikativen Handelns, wegens omvang en kleur ook wel bekend als 'het blauwe monster'. De Duitse filosoof ontwikkelt daarin een model voor machtsvrije communicatie dat de usurpatie van de 'leefwereld' door 'het systeem' in de moderne wereld moet tegengaan. Kunnemas werk uit die tijd wordt gekenmerkt door een groot vermogen tot synsthese en een hoge abstractiegraad.

In de jaren negentig nam hij afstand van Habermas en van diens hardnekkige verdediging van de moderniteit. Dat had ook met zijn privé-leven te maken, schrijft hij nu. Habermas' praatgrage model bleek op het werk namelijk wel van pas te komen, 'maar thuis was (het) veel minder goed toepasbaar'. Een echtscheiding later belandde Kunneman bij het eerder als apolitiek en slap gehekelde postmodernisme van Lyotard, dat in tegenstelling tot Habermas wel oog zou hebben voor de affectieve en lijfelijke dimensie van het menselijk bestaan. Hij schreef er over in Van themutscultuur naar walkman-ego: contouren van een postmoderne moraliteit (1996).

In de Postmoderne moraliteit, onderdeel van de nieuwe reeks Boom Essay, gaat Kunneman een stap verder. Het boekje begint met de persoonlijke 'secènes', gevolgd door een 'Brief aan mijn leermeester', waarin Kunneman Habermas op de man of de wacht aanzegt, en een complexe, soms nogal ademloze analyse van de hedendaagse, postmoderne samenleving. Stilistisch is de Dear Jürgen-brief het sterkste deel van het opstel. Kunneman geeft een intelligente en heldere uiteenzetting van de blinde vlekken in Habermas' theorie, die hem al met al tezeer gedrenkt is in rationalisme en vooruitgangsgeloof, beide failliet verklaard door het postmodernisme. Het maakt je benieuwd naar Habersmas' weerwoord - een repliek die, als ze komt, door Boom natuurlijk óók in haar reeks moet worden opgenomen.

Vervolgens analyseert Kunneman de postmoderne cultuur als één waarin 'het verlangen'is 'vrijgekomen'- zie de ongebreidelde consumptiecultuur - en waarin de 'ontmoraliserende' systemen van technologie en economie zich verregaand hebben verzelfstandigd. De traditionele 'theemutsculturen' - zoals Kunneman de oude, beschermende en inkapselende moralen noemt - hebben hun geloofwaardigheid verloren, evenals de grote verhalen van socialisme en liberalisme. Een nieuwe, 'postmoderne' moraal is daarom vereist. Dat wil niet zeggen dat we in een morele crisis verkeren; er is eerder sprake van een vormenverandering van de moraal.

Met die laatste opmerking heeft hij ongetwijfeld gelijk. Cultuurcritici van conservatieve snit hebben er een handje van overal tekenen van morele en sociale desintegratie te zien, terwijl ze voorbijgaan aan de psychologische en morele verfijning en disciplinering die de afgelopen eeuwen ook is opgetreden. Het 'onteketende' gedrag in voetbalstadion en discotheek gaat samen met een steeds stringenter netwerk aan formele en informele regels op school, kantoor en in persoonlijke relaties.

De vraag is alleen, of we voor het begrip van die paradoxale ontwikkeling veel opschieten met Kunnemans 'postmoderne moraliteit'. Hij ziet een moraal voor zich die niet overkoepelend is, maar contextueel; niet repressief maar flexibel en tolerant - en die ruimte gunt aan ons 'onafgestemde zelf'. Met dat laatste bedoelt Kunneman de affectieve en lijfelijke dimensie van het leven die bijvoorbeeld door Nietzsche en Foucault onder de aandacht is gebracht en die hijzelf wat zalvend omschrijft als een 'nog niet door de beschaving bezet veld van mogelijkheden dat wij in ons meedragen'. Daarbij hoort een 'gesprek met jezelf, dat altijd ook een 'pathische, zinnelijke dimensie' heft. Gezien mag dus weer, in de wereld na Habermas.

Kunneman toont zich hier een authentieke representant van een generatie linkse academici die vanaf de jaren zeventig heeft geworteld met de ambivalenties van de consumptiemaatschappij. Eerst brak het neo-marxistische besef door dat die maatschappij niet alléén in termen van onderdrukking, vervreemding en systeemstrijd hoefde, te worden benaderd, en dat emancipatie mogelijk was via geweldloze, machtsvrije communicatie. Twintig jaar later wordt toegegeven dat het bestaan als vader en consument ook zijn leuke kanten heeft, en wordt, met dank aan het feminisme, het eigen lijf ontdekt. Wat natuurlijk niet wil zeggen dat de bomen tot in de hemel zullen groeien, zoals het vooruitgangsgeloof zijn volgelingen voorspiegelt. Alles is nu eenmaal eindig, en ons staat mogelijk zelfs een ecologische ramp te wachten. Maar zelfs die 'mondiale risico-situatie' is voor Kunneman nu 'een bron van energie'.

Deze montere kijk op het probleem-oplossend vermogen van de mensheid is Kunneman gegund, maar wat is er zo postmodern aan? Het gaat hem nog steeds om vrijheid, tolerantie, de ruimte om je eigen leven vorm te geven - allemaal klassieke waarden uit de doodverklaarde 'grote verhalen' die in het Westen sinds de Verlichting zijn verteld. Kunneman spreekt zelfs van een recht op 'onafgestemdheid'. Maar hoe verdisconteer je 'rechten', en de afbakening ervan, in een moraal die juist 'het onafgestemde' wil benadrukken, en de particulariteit van 'het andere'?

Kunneman is zich bewust van die spanning. 'Het voorzetten van de Verlichting en het levend houden van de hoop op een betere wereld die daarin werkzaam was, vereist een postmoderne transformatie van het verlichtingsdenken', schrijft hij aan Habermas; zijn keus voor het postmodernisme blijkt dus behalve persoonlijk en intellectueel ook strategisch gemotiveerd. Dat klinkt sympathiek, maar erg helder is die strategie niet. Het begrip 'transformatie' is een stoplap, en hoe Kunnemans trouw aan de Verlichting zich verhoudt tot zijn ode aan het 'onafgestemde zelf, blijft onduidelijk. Doe Maar zingen, maar intussen knutselen aan een betere wereld?

De concrete problemen die in Postmoderne moraliteit ter sprake komen geven helaas weinig houvast. Kunneman signaleert, een beetje tegen heug en meug, dat toenemende criminaliteit 'inderdaad een probleem' is, maar volstaat met het advies de drugswetgeving te liberaliseren. Ergerlijk is zijn triomfantelijke opmerking dat 'aan de generatie van mijn vader () nog serieus voor ogen (kon) worden gehouden dat het een eer was te mogen sterven voor God en Vaderland'. Hier spreekt de morele arrogantie van de jaren zestig - alsof die generatie er maar mooi is ingetuind en onze scepsis over zulke waarden een vanzelfsprekende vooruitgang is. Bovendien, een vooruitgang geloofden we toch niet meer?

Kunneman is er tenslotte van overtuigd dat postmoderne moraliteit vooral zal moeten worden ontwikkeld in 'instellingen, organisaties en bedrijven', omdat postmoderne individuen zichzelf daar vorm geven. Ter verduidelijking is een lang citaat bijgevoegd uit zijn eigen Handreiking Horizontale Kwaliteitszorg voor ouderen. Ook daarin is weer volop sprake van 'betrokkenheid', 'normatief geladen processen' en 'hoogwaardige communicatieve relaties' - alsof Habermas alweer terug is van weggeweest. Even een biertje uit de schuur gehaald misschien?