Gezag VS ter discussie in Kosovo en Irak

Met de Lewinsky-affaire, Kosovo en nu weer Irak is het bord van de Amerikaanse president Clinton meer dan vol. In deze crises is vooral ook de geloofwaardigheid van de VS aan de orde.

ROTTERDAM, 7 AUG. De Iraakse leider Saddam Hussein en de Joegoslavische president Slobodan Miloševic slagen er opnieuw in de wereldgemeenschap op het hoogste niveau op de proef te stellen, dit keer zelfs tegelijkertijd. Eerder dit jaar al wisten beide regionale leiders na elkaar de grote landen uiteen te spelen en vooral de Verenigde Staten in het nauw te drijven. Dit keer zetten zij met de gestaakte Iraakse medewerking aan de wapeninspecties van de Verenigde Naties en de aanhoudende Servische agressie tegen Albanezen in Kosovo de grote mogendheden opnieuw voor het blok. Weer - of nog steeds? - lijken het gezag van de VS en de verdeeldheid tussen Amerika en Rusland centraal te staan.

De geloofwaardigheid van Washington liep onlangs al behoorlijke schade op in het Midden-Oosten, toen de Israelische premier Netanyahu zonder enig gevolg Amerikaanse ultimata negeerde en de VS min of ten einde raad speculeerden over een “time out” in het vredespreces. Nu is de vraag of de Amerikaanse president Clinton naast de Lewinsky-crisis nog tijd over heeft voor 'Irak' en 'Kosovo', drie thema's die hem al het hele jaar achtervolgen.

Kosovo lijkt na Bosnië opnieuw een crisis te veroorzaken in het Amerikaanse Balkan-beleid. Wie zich realiseert dat zelfs Richard Holbrooke, de vredesarchitect van Bosnië, na enkele spoedmissies zonder resultaat van het toneel is verdwenen en nu niet eens betrokken is bij de besluitvorming, kan bedenken hoe diep die crisis is. Holbrooke, die zich voorbereidt op het ambassadeurschap bij de VN, is tenslotte de enige buitenlandse diplomaat naar wie Miloševic tot nu toe leek te luisteren. Holbrooke's entree bij Miloševic heeft niet tot een doorbraak geleid. Bovendien is de Amerikaanse gezant tijdens zijn missies gefrustreerd geraakt door de ernstige verdeeldheid onder de Albanezen in Kosovo. Zijn kompaan uit het Bosnië-team, Chris Hill, probeert nu al weken één gezamenlijke Albanese delegatie te formeren.

Intussen worden de krachtsverhoudingen in Kosovo op het slagveld bepaald. Milosevic begon dit voorjaar met massale aanvallen, maar zette die vervolgens niet door, waarop het Kosovo Bevrijdingsleger aan vechtlust èn terrein won. Inmiddels gooit Miloševic er al weer twee weken de beuk in en worden Albanezen verjaagd of vermoord. Drie diplomaten van de Europese Unie rekenden zich vorige week nog rijk met zijn toezegging dat hij het offensief zou staken. Maar een hoge Westerse collega-diplomaat, eerder betrokken bij Bosnië en nu bij Kosovo, riep deze week binnenskamers uit: “Iedereen laat zich weer verneuken door Miloševic.”

Na vier maanden van Westerse verdeelheid, Russische oppositie tegen een harde aanpak van Belgrado, zachte sancties, niet-uitgevoerde dreigementen door de NAVO en niet-opgevolgde ultimata van de Contactgroep is de internationale gemeenschap weer terug bij de aloude vraag: hoe Miloševic aan te lijnen? De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Madeleine Albright, dreigde bij monde van gezant Hill woensdag in Belgrado maar weer eens met de NAVO. En gisteren spraken Clinton en zijn Britse collega Blair nog een half uur over Kosovo. Zij verkiezen een diplomatieke oplossing - wat feitelijk neerkomt op wachten op eensgezindheid aan Albanese kant over de samenstelling van een onderhandelingsdelegatie.

Een militaire interventie van de NAVO lijkt ondanks de dreigementen van Albright en ook Holbrooke en alle plannenmakerij bij de NAVO op dit moment niet aan de orde: de grote meerderheid van de internationale gemeenschap wil hiervoor een mandaat van de VN-Veiligheidsraad, en Rusland houdt zo'n mandaat nu eenmaal tegen. In tegenstelling tot Bosnië beschikt de buitenwereld nu niet over een geloofwaardige combinatie van diplomatie en militaire kracht, alle retoriek over 'de geleerde lessen van Bosnië' ten spijt. “We zitten met de Russen”, zo vatte een Westerse topdiplomaat het probleem deze week kortweg samen.

Datzelfde euvel speelt in de huidige aflevering van het crisisfeuilleton Irak. Iraks nieuwe sabotage van het VN-wapeninspectieteam UNSCOM werd gisteren gevolgd door een verklaring van de V-raad, die het optreden van Bagdad weliswaar als “totaal onacceptabel” afwees, maar verder opmerkelijk mild van toon was en niet vermeldde wat de raad hieraan zal doen, behalve meer gesprekken met Irak voeren. De V-raad duidde zelfs op een mogelijke verlichting van sancties met de mededeling dat het “van plan is gunstig te reageren op toekomstige vooruitgang”.

Voorafgaand aan de zitting van de V-raad haalden de VS nog fel uit naar Irak, en gaf - Iraks bondgenoot - Rusland voor het ontstaan van de nieuwe problemen zelfs gedeeltelijk de schuld aan UNSCOM-chef Richard Butler, een geliefd mikpunt van Bagdad. Na afloop van de zitting bleek dat niemand behoefte heeft aan een militair conflict. Zowel VN-chef Kofi Annan als Butler en zelfs VN-ambassadeur Bill Richardson stelden zich verzoenend op. “Dit is geen strijd tussen de Verenigde Staten en Irak”, zei Richardson.

De VS stonden eerder dit jaar al lijnrecht tegenover Rusland, China en Frankrijk toen zij de militaire druk op Irak opvoerden, en zullen nu tot het laatst die pijnlijke verdeeldheid publiekelijk willen vermijden. De facto bepaalt die verdeeldheid - en de vermoeidheid daarover - intussen wel de toon van de Veiligheidsraad, en de Amerikaanse opstelling daarbinnen. Het feit dat de president zijn tijd ook in andere grote crises moet steken, is daarop eveneens van invloed. Misschien dat Kofi Annan nu opnieuw, net als in februari, de Irakezen - tijdelijk - kan intomen, om daarmee zijn eigen in Bagdad gesloten akkoord te redden. En daarmee kan Annan - eveneens tijdelijk - de aandacht van de werkelijke vraag afleiden: hoe staat het met het gezag van Amerika als leidende supermacht?