Fictief testament uit het getto

Zvi Kolitz: Josl Rakover wendt zich tot God. Tweetalige uitgave met een commentaar van Paul Badde. Vertaling uit het Duits en transcriptie en vertaling uit het Jiddisch: Dorien Veldhuizen. Ten Have, 106 blz. ƒ 24,90

Op 25 september 1946 verscheen in de plaatselijke Jiddische krant van Buenos Aires Josl Rakovers vendoeng tsoe Got. Het relaas, gedateerd 28 april 1943, begint zo: 'In een van de ruïnes in het getto van Warschau is tussen geblakerde stenen en menselijke botten, verstopt in een flesje, het volgende testament gevonden, dat in de laatste uren van het getto van Warschau geschreven werd door een jood met de naam Josl Rakover.' De opstand in het getto is bijna neergeslagen en Josl Rakover bevindt zich in een van de laatste huizen die nog niet branden. Zijn vrouw en zijn zes kinderen zijn dood. Al zijn kameraden zijn gesneuveld. Hij probeert met God in het reine te komen. Hij heeft - net als Job uit de bijbel - een eerzaam leven geleid, zijn rijkdom is hem nooit naar het hoofd gestegen en hij heeft God altijd gediend. God houdt zijn gezicht tijdelijk verborgen, weet Josl, en laat de mensen hun eigen gang gaan. Met alle gevolgen van dien voor Zijn uitverkoren volk. De God van de joden is een God der wrake, maar ondanks Gods pogingen hem van zijn geloof af te brengen zal Josl sterven als een trotse én gelovige jood.

Josl Rakover heeft een indrukwekkend credo nagelaten. Het is bijna niet te bevatten dat iemand in de hel van het getto hiervoor de geestkracht heeft kunnen opbrengen. Zo is het dan ook niet helemaal. De tekst is geschreven door iemand die nooit in het getto van Warschau is geweest, Zvi Kolitz, een jonge journalist uit Palestina. Hij was in Buenos Aires vanwege het Zionistische Wereldcongres en schreef het verhaal op verzoek van de hoofdredacteur voor het Jom-Kipoernummer van Di Jidisje Tsajtoeng.

Die wetenschap maakt nieuwsgierig naar de achtergronden van tekst en auteur. Dat vond ook de Duitse publicist Paul Badde nadat hij de tekst in 1992 op het spoor was gekomen. Hij publiceerde de Jiddische tekst met vertaling en schreef er een uitvoerig nawoord bij. De Nederlandse vertaling verscheen onlangs bij Ten Have.

Zvi Kolitz (1919) blijkt de zoon van een rabbijn uit Litouwen. Al voor de oorlog vluchtte hij naar Palestina. Hij nam dienst in het Britse leger en werd - als fervent anti-communist - actief in de rechtse Irgoen-beweging. Hij was onder meer filmproducent en reclamemaker en woont tegenwoordig in New York, waar Badde met hem sprak.

Een jaar na de eerste publicatie verscheen in New York een Engelse vertaling onder Kolitz' naam. In de jaren vijftig doken in Israel, Duitsland en Frankrijk versies op 'geschreven door de onbekende jood Josl Rakover'. Zodra Kolitz daarvan hoorde, meldde hij zich als auteur, maar men geloofde dat niet of wenste het niet te horen. 'Zo ontroert het meer,' zei een New Yorkse rabbijn die het stuk op Grote Verzoendag als anonieme tekst in de synagoge liet voordragen, terwijl hij wist dat er een auteur bestond. De tekst trok de aandacht van onder andere Emmanuel Levinas en Thomas Mann, die zich diep geroerd toonden door zo'n 'schokkend menselijk en religieus document'.

Baddes nawoord - hoe informatief ook - roept helaas meer vragen op dan het beantwoordt. Hij strooit met grote namen, maar een literatuuropgave kan er niet af. Over Badde zelf komen we ook weinig te weten. En hoe weten we of Kolitz de waarheid spreekt? Op een bepaald moment leest Badde in een - nota bene van Kolitz zelf gekregen - boek dat de tekst oorspronkelijk in het Engels geschreven is en dat het krantenartikel uit 1946 niet bestaat. Als Badde kort daarna kopieën van het bewuste artikel ontvangt - de oorspronkelijke tekst zal een jaar later in Argentinië bij een bomaanslag verbranden - lijkt die bewering daarmee ontzenuwd. Maar misschien heeft Kolitz de tekst wel overgeschreven.

In zekere zin doet het er niet toe. Wie de tekst ook heeft verzonnen, het blijft een indrukwekkend getuigenis. Maar gesteld dat Kolitz de auteur is, waarom heeft hij, de vrijheidsstrijder, dan juist voor dit onderwerp gekozen? Badde suggereert dat Kolitz de ondergang van het getto ziet als de barensweeën van de staat Israel. Dat strookt - al legt Badde dat verband niet - met de Irgoen-leus: in bloed en vuur is Juda gevallen, in bloed en vuur zal het herrijzen. Aan die filosofie zitten echter enge, extreem-nationalistische kantjes, die bij nadere beschouwing ook in de tekst zijn terug te vinden. Bijvoorbeeld in Josls verheerlijking van wraak. Acceptabel voor een in doodsnood verkerende gettostrijder, maar dubieus nu het in alle rust in een hotelkamer te Buenos Aires blijkt opgeschreven.

Dit, gevoegd bij Baddes terloopse mededeling dat de tekst de stichtingsoorkonde vormt van de rechts-religieuze kolonistenbeweging Goesj Emoenim, had aanleiding moeten vormen voor een kritischer ondervraging van Kolitz. Baddes ontzag voor Josls credo verhinderde hem blijkbaar conclusies uit zijn eigen onderzoek te trekken.

    • Hilde Pach